zien én weten... 10
Tot in de namiddag van deze dag was het de afgelopen veertien dagen ononderbroken grijs weer geweest en had het bijna dagelijks geregend; opeens was er de zon en ze scheen van een strakblauwe hemel. Er dreven heel weinig grote, witte wolken. Ze leken op bergen met lichtgevulde toppen en het was een vreugde om naar al dit te kijken. De bomen, het grasveldje en de lange rij rododendronstruiken erachter met hun vele grote, kleurrijke bloemen schenen op te leven en dezelfde vreugde te voelen, net als de enkele zwartgrijze kraai die op het grasveld voedsel oppikte en zich verder niets van je aantrok. Op het pad lagen twee bloemen van de rododendron. Hun rode kleur was nog heel intens en ze leken nog vol leven; het zou niet lang duren voordat ze zouden verdorren. Je vroeg je af hoe ze op het pad waren beland. Je wist het niet. Je zag ze en voelde, leefde met ze mee in dit momentje van aandacht.
Meeleven, meevoelen met de mooie, dode bloem of de vrolijke kraai of de waardige boom – wat iets volledig anders is dan medelijden, dat altijd hand in hand gaat met sentiment voortkomend uit emotie geboren uit een denkbeeld dat de werkelijkheid ontkent – is de essentie van liefde én vrede én dood én leven. Het is zien én weten, zonder meer. Als er een van ontbreekt, sta je los van het geheel dat we leven noemen. Meeleven is aandacht hebben voor het geheel, niet voor een deel van het geheel. Meeleven alleen met je naaste en het tegelijk neerkijken op de vreemde, of onverschillig zijn tegenover de dode bloem, is de ontkenning van meeleven. Meeleven is absoluut, of helemaal niet bestaand. Meeleven betekent niet instemmen met een of andere mening, zienswijze, ideologie of wat dan ook, maar gewoon zien én weten van ‘wat is’, van de feiten, zonder meer. Het is zuivere voeling voor het leven.
Bij de vijver zat je op een van de nieuwe houten stoelen in de schaduw van de grote kastanje en keek over het water, naar al de pracht van het eilandje dat in de avondzon, in licht en ontelbare tinten groen, stil en vredig en vol leven was. Niets herinnerde aan de lange regentijd; ze was een dood en al lang vergeten verleden, ook al was ze pas een paar uurtjes geleden geëindigd. Ze was van geen betekenis meer omdat je er – net als al de natuur om je heen – geen betekenis, geen gedachte en geen emotie meer aan gaf. Je zat gewoon te kijken en na een tijdje had je het gevoel dat het gezang van de vogels luider en vrolijker was geworden en de kleuren intenser waren, en alles heel dicht bij je was – of, nauwkeuriger gezegd, er helemaal geen scheiding meer was. Jij was niet meer de waarnemer die naar iets keek, jij was de waarneming die zichzelf waarnam. … En als je wilde, kon je je afvragen of er echt buiten jou een verandering had plaatsgevonden, of dat je luisteren, zien en voelen nu van een heel andere kwaliteit was omdat je geest niet meer afgeleid en in beslag genomen was door het gekwetter van het denken, dat nu geen kringetjes meer draaide in zijn eigen gedachtenwereldje. Maar was dat echt een vraag? Is er echt een buiten en een binnen; een buitenwereld en een innerlijke wereld, of is dat alleen een denkbeeld van een in denken gevangen en dus onvrije geest? Al die gedachten waren er gelukkig niet… er was alleen de bruisende levendigheid van een absoluut lege geest… die zag én wist.
V: Stel je voor, ik kwam iemand tegen die zei dat je een gevaarlijke man bent, omdat je alles wat bestaand is wilt neerhalen. Hij gebruikte zelf het woord ‘vernietigen’.
N: Hij heeft gelijk. Wat we zeggen is heel gevaarlijk voor mensen die in illusies willen leven, die willen geloven in plaats van zien én weten. Zien én weten is de dood van geloven, wensen en hopen; van al die dingen die niets met werkelijkheid en waarheid te maken hebben.
Alleen met dat “willen” heeft hij het mis. We willen niemand overtuigen. Wat we wél doen, is opmerkzaam maken en iedereen uitnodigen dit alles zelf te verkennen en te onderzoeken. Wat hij of zij ermee doet, is aan diegene zelf.
V: ‘Het andere’… ik denk dat het goed is om daarmee te beginnen. Het is geen doel dat bereikt kan worden; er bestaat geen oefening of methode om het op te roepen. Maar ik vind het belangrijk om ook duidelijk te zeggen dat het niet iets mysterieus of geheimzinnigs is. Maar dan rijst natuurlijk meteen de vraag: wat is het uiteindelijk wél?
N: Precies, we beschrijven alleen ‘wat is’ – feiten dus, geen verbeeldingen. En we wijzen erop: de beschrijvingen zijn alleen maar woorden die naar iets wijzen; ze zijn nooit het beschrevene zelf. ‘Het andere’ is er als al het andere – alle ver-beeld-ingen – er niet zijn. Je kunt het ervaren, maar niet als een ervaring opslaan die je onder woorden kunt brengen. Het laat een spoor achter in je geheugen en brein, maar is voor het denken niet grijpbaar. Dat wil zeggen: het dient zich aan als het denken stilvalt; als er niets is dan de absolute stilte van een lege geest die in hoogste mate sensitief, alert en wakker is, maar helemaal niet bezig is met zichzelf. Anders gezegd: als het 'ik' er niet is en je dus één bent met alles.
In deze toestand registreert het brein rechtstreeks. Dat wil zeggen: zonder dat wat je waarneemt door de filter van het denken loopt en het denken er op die manier een — door ervaring en kennis uit het verleden — besmet en vervormd beeld van maakt. En precies daarom kan het denken het ook niet reproduceren. Het nieuwe, het onmetelijke is voor het denken niet vatbaar. Het meetbare kan het onmetelijke niet omvatten. Het onmetelijke kan het meetbare wél gebruiken.
Het denken werkt alleen vanuit en in beelden. Dat is zijn beperking, en dit ten volle, werkelijk beseffen is de cruciale stap die alles verandert. Daarom zeggen we ook dat de eerste stap de laatste stap is. Wanneer het denken absoluut beseft dat wat het zo graag wil bereiken niet te bereiken is, valt het stil en verkeert de geest in een heel andere dimensie.
Niemand kan je ernaartoe leiden. We kunnen er alleen op wijzen dat het bestaat; niet als een vaststaand iets, maar als iets dat zich voortdurend vernieuwt en voor het denken onbekend is.
V: Je kunt een ander het raam laten zien, maar hij moet het zelf schoonmaken en erdoorheen kijken om te zien.
N: Nee, hij moet het stukslaan. Zolang het raam er nog is, is er nog steeds verdeeldheid: het ‘ik’ dat naar iets kijkt. Zie je dit belangrijke verschil? De schoonheid van de vernietiging die liefde én dood én leven is? Ze zijn niet te scheiden. Als er één ontbreekt of ontkend wordt, is het niet gebeurd.
V: De totale vernietiging van het ‘ik’… ik geloof dat dit het cruciale punt is waar mensen bang voor zijn, waarom ze wat je zegt als gevaarlijk beschouwen. En volgens mij is er een belangrijke nuance die we duidelijk moeten maken: het fysieke ‘ik’ – het lichaam, het brein inclusief de geest – en het psychologische ‘ik’-beeld – het denken dat in het brein plaatsvindt, maar niet het brein of de geest zelf is.
N: Heel juist. Natuurlijk word je niet fysiek of lichamelijk één met alles – gelukkig maar niet. Alles draait om het diepe besef dat het ‘ik’-beeld het dode verleden is, een illusie van het denken die in stand gehouden wordt dóór het denken en op die manier verdeeldheid schept. Eenvoudig leven draait niet om het verloochenen van je bezit of je afsluiten van de samenleving in een klooster, maar om één-zijn met het leven, in het diepe besef van het feit dat er maar één leven bestaat waar je onlosmakelijk één mee bent. Niet verbonden – dat woord staat voor twee delen die samengevoegd worden – maar onlosmakelijk één-zijn.
Een tijdje geleden vroeg iemand me of het niet tekortschiet als ik zeg ‘je bent het leven’ en vroeg wat er dan is met de zon, de verre ster aan de avondhemel of het hele universum. Ik vroeg hem: ‘Meneer, ik zei “jij bent het leven”… houdt dit op zichzelf een begrenzing in? Of ontstaat de begrenzing pas door je denkbeeld, dat het leven probeert in te perken tot “leven op aarde” of wat dan ook? Maar leven, in zijn ware, diepste zin, is de totale beweging van het bestaan zelf. En deze beweging heeft noch grens, noch maat.’ Ik vertel het hier omdat het ons goed laat zien hoe vaag de grens is tussen werkelijk zien én weten, en het kijken vanuit een denkbeeld dat alleen maar gelooft te zien.
V: Met 'zien én weten' bedoel je het handelen vanuit intelligentie die ongespleten is en die van het intellect, het denken, alleen werktuiglijk gebruikmaakt. Volgens mij is het belangrijk om duidelijk te maken dat dit geen afwijzen, neerhalen of kleineren van het denken is.
N: Precies. We zeggen niet dat het goed of slecht is, we wijzen het ook helemaal niet af. Integendeel, we zien het als een briljant en belangrijk werktuig van de geest. Waar we wél heel duidelijk over zijn, is dat het helder zijn eigen werkwijze en functie moet beseffen, zodat de geest vrij en onbeperkt te werk kan gaan. In het Nu leven – dus met volledige aandacht aanwezig zijn – betekent niet dat je geen herinneringen meer hebt, maar dat de herinnering, kennis en ervaring het Nu niet overschaduwen; dat je helder ziet wat ís, vrij van het verleden.
V: Volgens mij is het uiteindelijke probleem van naar het Nu kijken door de ogen van het verleden niet eens puur de herinnering op zich, maar de daarmee verbonden of toegevoegde emotie. Het gebeuren is al lang voorbij, maar de emotie van destijds houd ik in leven.
N: Als kind wordt iemand door een hond gebeten en sindsdien roept het zien van welke hond dan ook de emotie op die destijds opgeslagen en nooit echt verwerkt is.
V: Dat is wat ik bedoelde, in de praktijk gebracht. Zich ervan volledig bewust worden is ervan vrij zijn. Je zei het zojuist: ‘helder zien wat is’. Volgens mij is dat ook de ware betekenis van helderziend, en niet de hele onzin die er deels van gemaakt wordt.
N: In de oorspronkelijke betekenis van het woord en de zin van hoe wij het hier gebruiken, is het precies zo. En misschien is het ook nog belangrijk om toe te voegen dat zien én weten niet tot een ‘alles is mooi, er bestaat geen kwaad’-bestaan leidt. Als dat gebeurt, is het een nieuw verhaaltje dat het denken zichzelf vertelt. Zien én weten is gewoon het helder zien van de feiten en deze duidelijk benoemen. Als je ziet dat het huis in brand staat, zeg je niet “de wereld is mooi, laat het maar branden”. Dan handel je en blus je de brand – op welke manier je maar kunt – en als je werkelijk helder ziet, blus je daadwerkelijk de wereld, omdat het huis dat in brand staat de wereld ís.