zien én weten... 02

 

 

 

V: Bij het lezen besefte ik dat de betekenis van ‘het woord is niet het ding waarnaar het verwijst’ veel dieper gaat: de gedachte is niet de werkelijkheid waarover die gedachte denkt, maar een door het denken vervormde realiteit.

 

N: Dat is een interessante, scherpe observatie. De bron van woorden is het denken; zonder gedachten zijn er geen woorden. Het denken kan niet anders dan het nieuwe — de werkelijkheid — interpreteren via het verleden, in de vorm van kennis en ervaring. Deze interpretatie ís de vervorming van de werkelijkheid en het denkbeeld is de realiteit van de denker, die zelf het denken is.

 

V: Ik vraag me af: als de werkelijkheid ‘wat is’ is, waarom maak je dan nog onderscheid tussen werkelijkheid en waarheid? ‘Waar’ betekent in het Latijn letterlijk ‘wat is’.

 

N: Precies, werkelijkheid is ‘wat is’, maar de realiteit van de denker is óók ‘wat is’. Voor de onbewuste denker is zijn realiteit zelfs het enige wat is; het is voor hem zijn werkelijkheid en waarheid.

 

V: Waarschijnlijk worden die drie woorden daarom in het dagelijks leven zo vaak door elkaar gebruikt. Voor een gelovige is zijn god de enige realiteit, werkelijkheid en waarheid. Maar in feite is die god slechts een door het denken geschapen realiteit. De werkelijkheid is dat die god een denkbeeld is… maar is dat laatste dan niet ook de waarheid?

 

N: Nee, de waarheid is het geheel te zien en te begrijpen als ‘wat is’: de realiteit van de gelovige én de werkelijkheid. Als je alleen de werkelijkheid ziet (dat de god een verzinsel is), ontken je de realiteit van de gelovige. Dan zie je helemaal niet het geheel. Integendeel, je schept dan nieuwe verdeeldheid en ontkent de waarheid door de werkelijkheid tot je eigen realiteit te maken. De god van de gelovige bestaat niet werkelijk, maar in de wereld waarin we leven bestaat het denkbeeld van de god wel, en de invloed daarvan is zelfs werkelijkheid. De oorlogen die vanwege goden of ideologieën worden gevoerd — het vermoorden van miljoenen mensen in de naam van een geloofsovertuiging — die zijn toch werkelijkheid!?

 

V: Dan is het dus juist om te zeggen dat realiteit, werkelijkheid en waarheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn?

 

N: Ja, je kunt de waarheid niet zien als je de werkelijkheid of de realiteit ontkent. De denkbeelden en overtuigingen van mensen zijn hun realiteiten. Misschien maakt een voorbeeld het duidelijker: de soldaat in Rusland gelooft dat hij zijn land moet verdedigen tegen de dreigingen van het Westen. En de soldaat in Nederland gelooft dat de Rus alleen maar wacht op een goede kans om zijn land te overvallen. Beiden leven ze in hun eigen realiteit. De werkelijkheid en de waarheid zien en weten ze niet. De werkelijkheid is dat zij in hun eigen realiteit gevangen zitten en zo verdeeldheid en conflict in stand houden die tot oorlog leiden. De waarheid is het tegelijkertijd zien van die realiteit én die werkelijkheid. Als ze dat zouden doen, zouden ze geen soldaat meer zijn, omdat ze dan zien én weten dat ze zelf de oorzaak van de oorlog zijn.

 

V: Als we naar het voorbeeld van de soldaat kijken, zien we dat elke uiterlijke crisis haar oorzaak en oorsprong altijd innerlijk heeft en geworteld is in het denken. Kunnen we misschien nog verder gaan en zeggen dat elke innerlijke crisis, verdeeldheid en elk conflict hetzelfde schema volgen? Dat het denken de innerlijke werkelijkheid naar een realiteit vertaalt en de ogen sluit voor de waarheid?

 

N: Innerlijk en uiterlijk staan niet los van elkaar. Sterker nog: het innerlijke conflict zoekt de oplossing buiten zichzelf. Het denken is helemaal niet geïnteresseerd in het conflict zelf, of in de oplossing ervan; het is geïnteresseerd in een verklaring. Het vraagt naar een ‘waarom’, en als het dat heeft gevonden — of uitgevonden — vecht het daartegen. Maar het geeft geen aandacht aan het conflict zelf.

 

V: Misschien wordt ook dit aan de hand van een voorbeeld duidelijker: een mens met een trauma zoekt naar de oorzaak, in plaats van ‘wat is’ — de werkelijkheid in de vorm van onrust, kwellende gedachten, angstgevoelens, enzovoort — de ruimte te geven. Maar de oorzaak ligt in het verleden en dat kan hij niet meer veranderen; dus verandert er ook in het heden niets.
Wij stellen dat er juist iets verandert als hij de werkelijkheid keuzeloos de ruimte geeft!? Met andere woorden: de waarheid beïnvloedt de realiteit en lost deze misschien zelfs helemaal op. Dat is feitelijk wat we bij de soldaat veronderstellen: bij het besef van werkelijkheid en waarheid zou hij geen soldaat meer zijn.

 

N: Het zoeken naar en het analyseren van de oorzaak houdt het conflict in stand en kan niet tot een echte verandering leiden. Het leidt misschien tot een andere kijk erop, maar het verleden blijft in licht gewijzigde vorm voortbestaan. Pas als de mens beseft dat de werkelijkheid — het ‘Nu’ — losstaat van het verleden en helder ziet dat niet de gebeurtenis uit het verleden invloed op het ‘Nu’ heeft, maar zijn interpretatie – in de vorm van gedachten en daaruit voortkomende emoties – van dat verleden, is hij vrij van zijn zelfgecreëerde realiteit.

 

V: Die zelfgecreëerde realiteit is uiteindelijk zijn ik-beeld, nietwaar? Maar dan zou iemand kunnen tegenwerpen dat hij niet losstaat van invloeden van buitenaf; de soldaat in Nederland staat immers niet los van de dreiging van de Rus, om bij ons voorbeeld te blijven…

 

N: Dat kan men tegenwerpen, maar dan heeft diegene helaas helemaal niet begrepen waar we het hier over hebben. Als de soldaat echt helder ziet wat realiteit, wat werkelijkheid en wat waarheid is, blijft hij niet langer hangen in de realiteit. Dan houdt hij geen realiteit meer in stand.