zien én weten...
… Wat ik zeg is:
Neem het alleen maar waar, zonder ‘ja’ of ‘nee’ tegen te zeggen, zonder te oordelen, zonder het te vergelijken met wat je weet of denkt te weten. Sla het gewoon gade en luister naar jezelf, voel wat bij je opkomt en wat er gebeurt.
zien én weten...
zien én weten... 01
Een heerlijk warm winterzonnetje zorgt voor een prachtig tafereel uit licht en kleur, en één met deze pracht bloeit het eerste sneeuwklokje van het jaar… hoe kwetsbaar zijn haar intens groene stengeltje en haar helderwitte kopje…
Zij is mooi, zij is van een smetteloze, natuurlijke schoonheid. Het is die schoonheid die haar zo mooi maakt.
Schoonheid… wat is de werkelijke betekenis ervan?
Als we het woordje 'mooi' vergelijkend gebruiken, is het een uiting van onze persoonlijke smaak en niets meer dan een mening. Schoonheid is iets heel anders: iets diepers, iets feitelijks. Het woord 'schoon' betekent: puur, volmaakt en rein – oftewel: onverdeeld, ongespleten. Schoonheid bestaat ergo alleen in iets of iemand die volledig heel en onvervalst is; en daarmee ook vrij van elk conflict – innerlijk én uiterlijk.
De één vindt het sneeuwklokje prachtig, de ander loopt eraan voorbij zonder het op te merken, en een derde vindt het zelfs lelijk.
Maar feit is: smaak is slechts een mening, en een mening is geen feit.
Een mening hebben, een zogenaamd recht op vrije meningsuiting… wat houdt dat uiteindelijk in en waarom zijn mensen er zo aan gehecht?
Zijn we ons er helder van bewust dat elke mening in feite altijd gebaseerd is op vergelijken en tot stand komt door kiezen en oordelen? Maar elke keuze is een bewijs van niet-weten, en elk oordeel sluit de deur voor een oprecht onderzoek naar wat feitelijk – werkelijk – is.
Vrije meningsuiting staat in de zogenaamde ‘vrije wereld’ synoniem voor vrijheid. Maar vragen we ons ooit af hoe meningen tot stand komen? Waarom er zoveel ‘opiniemakers’ actief zijn en waarom bepaalde meningen dan toch als ‘fout’ of onaanvaardbaar worden bestempeld?
Maar wie inziet, helder beseft dat een mening geen feit is, ziet meteen waarom er zoveel waarde aan meningen gehecht wordt: meningen kun je sturen en beïnvloeden, terwijl de werkelijkheid simpelweg is ‘wat is’.
Wie waarde hecht aan meningen, hecht geen waarde aan waarheid. Simpelweg omdat wie de waarheid wil zien, alleen waarde hecht aan de feitelijke werkelijkheid.
‘Opiniemakers’ zijn moderne geloofsverkopers…
Of het nu de moderne goeroe is die zich coach noemt, de man van de kerk, of de politicus van welk systeem dan ook… ze verschillen niet van elkaar. Allen zijn ze verliefd op hun geloof en verkocht – in de letterlijkste zin van het woord – aan hun zelfgecreëerde realiteit.
Geen van hen is geïnteresseerd in de mens of in vrede onder elkaar op aarde… Ze willen de mens tot een volgeling van hun geloof maken én hun realiteit tot werkelijkheid en waarheid verklaren. Om dat te bereiken, zijn ze bereid de mens volledig te vernietigen, om hem vervolgens naar hun eigen geloof en realiteit weer in elkaar te zetten.
Een wereld vol schoonheid – een onverdeelde, vreedzame wereld – komt nooit tot stand door meningen, geloof, realiteiten… maar door mensen die zien ‘wat is’ en de waarheid ervan beseffen: de werkelijkheid… en de werkelijkheid is dat we in een wereld van realiteiten – de werkelijkheid vervormt door deze te vertalen vanuit meningen en geloof – leven, en op die manier de verdeeldheid en het conflict onder elkaar in stand houden.
Wie bereid is de werkelijkheid onder ogen te zien, ziet dat de wereld niet alleen verdeeld is in naties, politieke systemen en zogenaamde religies… maar dat die verdeeldheid tot diep in de samenleving reikt, zelfs tot in families, en dat zelfs de enkeling binnen in zichzelf verdeeld is.
En als de enkeling zijn eigen verdeeldheden, zijn eigen innerlijke conflicten werkelijk de ruimte geeft om te zijn wat ze zijn, zou hij zien dat ze een voor een voortkomen uit meningen en geloof… over wat hij wil zijn of juist helemaal niet wil zijn…
… en als jij de enkeling bent, kun je ‘Nu’ naar alles wat in je opkomt luisteren zonder oordeel, vergelijking, keuze … zonder een nieuw mening, een nieuw geloof te creëren…
Vraag niet wat dan gebeurt… doe het en misschien ontdek je dan iets totaal nieuws en openbaart de werkelijkheid haar hele schoonheid…
zien én weten... 02
V: Bij het lezen besefte ik dat de betekenis van ‘het woord is niet het ding waarnaar het verwijst’ veel dieper gaat: de gedachte is niet de werkelijkheid waarover die gedachte denkt, maar een door het denken vervormde realiteit.
N: Dat is een interessante, scherpe observatie. De bron van woorden is het denken; zonder gedachten zijn er geen woorden. Het denken kan niet anders dan het nieuwe — de werkelijkheid — interpreteren via het verleden, in de vorm van kennis en ervaring. Deze interpretatie ís de vervorming van de werkelijkheid en het denkbeeld is de realiteit van de denker, die zelf het denken is.
V: Ik vraag me af: als de werkelijkheid ‘wat is’ is, waarom maak je dan nog onderscheid tussen werkelijkheid en waarheid? ‘Waar’ betekent in het Latijn letterlijk ‘wat is’.
N: Precies, werkelijkheid is ‘wat is’, maar de realiteit van de denker is óók ‘wat is’. Voor de onbewuste denker is zijn realiteit zelfs het enige wat is; het is voor hem zijn werkelijkheid en waarheid.
V: Waarschijnlijk worden die drie woorden daarom in het dagelijks leven zo vaak door elkaar gebruikt. Voor een gelovige is zijn god de enige realiteit, werkelijkheid en waarheid. Maar in feite is die god slechts een door het denken geschapen realiteit. De werkelijkheid is dat die god een denkbeeld is… maar is dat laatste dan niet ook de waarheid?
N: Nee, de waarheid is het geheel te zien en te begrijpen als ‘wat is’: de realiteit van de gelovige én de werkelijkheid. Als je alleen de werkelijkheid ziet (dat de god een verzinsel is), ontken je de realiteit van de gelovige. Dan zie je helemaal niet het geheel. Integendeel, je schept dan nieuwe verdeeldheid en ontkent de waarheid door de werkelijkheid tot je eigen realiteit te maken. De god van de gelovige bestaat niet werkelijk, maar in de wereld waarin we leven bestaat het denkbeeld van de god wel, en de invloed daarvan is zelfs werkelijkheid. De oorlogen die vanwege goden of ideologieën worden gevoerd — het vermoorden van miljoenen mensen in de naam van een geloofsovertuiging — die zijn toch werkelijkheid!?
V: Dan is het dus juist om te zeggen dat realiteit, werkelijkheid en waarheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn?
N: Ja, je kunt de waarheid niet zien als je de werkelijkheid of de realiteit ontkent. De denkbeelden en overtuigingen van mensen zijn hun realiteiten. Misschien maakt een voorbeeld het duidelijker: de soldaat in Rusland gelooft dat hij zijn land moet verdedigen tegen de dreigingen van het Westen. En de soldaat in Nederland gelooft dat de Rus alleen maar wacht op een goede kans om zijn land te overvallen. Beiden leven ze in hun eigen realiteit. De werkelijkheid en de waarheid zien en weten ze niet. De werkelijkheid is dat zij in hun eigen realiteit gevangen zitten en zo verdeeldheid en conflict in stand houden die tot oorlog leiden. De waarheid is het tegelijkertijd zien van die realiteit én die werkelijkheid. Als ze dat zouden doen, zouden ze geen soldaat meer zijn, omdat ze dan zien én weten dat ze zelf de oorzaak van de oorlog zijn.
V: Als we naar het voorbeeld van de soldaat kijken, zien we dat elke uiterlijke crisis haar oorzaak en oorsprong altijd innerlijk heeft en geworteld is in het denken. Kunnen we misschien nog verder gaan en zeggen dat elke innerlijke crisis, verdeeldheid en elk conflict hetzelfde schema volgen? Dat het denken de innerlijke werkelijkheid naar een realiteit vertaalt en de ogen sluit voor de waarheid?
N: Innerlijk en uiterlijk staan niet los van elkaar. Sterker nog: het innerlijke conflict zoekt de oplossing buiten zichzelf. Het denken is helemaal niet geïnteresseerd in het conflict zelf, of in de oplossing ervan; het is geïnteresseerd in een verklaring. Het vraagt naar een ‘waarom’, en als het dat heeft gevonden — of uitgevonden — vecht het daartegen. Maar het geeft geen aandacht aan het conflict zelf.
V: Misschien wordt ook dit aan de hand van een voorbeeld duidelijker: een mens met een trauma zoekt naar de oorzaak, in plaats van ‘wat is’ — de werkelijkheid in de vorm van onrust, kwellende gedachten, angstgevoelens, enzovoort — de ruimte te geven. Maar de oorzaak ligt in het verleden en dat kan hij niet meer veranderen; dus verandert er ook in het heden niets.
Wij stellen dat er juist iets verandert als hij de werkelijkheid keuzeloos de ruimte geeft!? Met andere woorden: de waarheid beïnvloedt de realiteit en lost deze misschien zelfs helemaal op. Dat is feitelijk wat we bij de soldaat veronderstellen: bij het besef van werkelijkheid en waarheid zou hij geen soldaat meer zijn.
N: Het zoeken naar en het analyseren van de oorzaak houdt het conflict in stand en kan niet tot een echte verandering leiden. Het leidt misschien tot een andere kijk erop, maar het verleden blijft in licht gewijzigde vorm voortbestaan. Pas als de mens beseft dat de werkelijkheid — het ‘Nu’ — losstaat van het verleden en helder ziet dat niet de gebeurtenis uit het verleden invloed op het ‘Nu’ heeft, maar zijn interpretatie – in de vorm van gedachten en daaruit voortkomende emoties – van dat verleden, is hij vrij van zijn zelfgecreëerde realiteit.
V: Die zelfgecreëerde realiteit is uiteindelijk zijn ik-beeld, nietwaar? Maar dan zou iemand kunnen tegenwerpen dat hij niet losstaat van invloeden van buitenaf; de soldaat in Nederland staat immers niet los van de dreiging van de Rus, om bij ons voorbeeld te blijven…
N: Dat kan men tegenwerpen, maar dan heeft diegene helaas helemaal niet begrepen waar we het hier over hebben. Als de soldaat echt helder ziet wat realiteit, wat werkelijkheid en wat waarheid is, blijft hij niet langer hangen in de realiteit. Dan houdt hij geen realiteit meer in stand.
zien én weten... 03
De tafel is door de mens uit een boom gemaakt; ze is heel mooi, maar toch aangetast door het denken en zo beroofd van zijn natuurlijke levendigheid en schoonheid.
De boom, de vogel in zijn vlucht en de hemel zijn geen product van het denken; als je naar ze kijkt zonder dat er een gedachte in je opkomt, zie je wat ware schoonheid is: onvervalst, natuurlijk, één met het leven.
Wat werkelijk blijft, is nooit het ding, de foto, de herinnering… maar alleen de essentie die voor het denken niet toegankelijk was en is… Het denken kan over liefde denken, maar dan is het geen liefde meer. Dan is dat wat je liefde noemt bezoedeld met begeerte, verlangen, lust, genot en wat het denken nog meer in staat is voort te brengen in zijn onophoudelijke streven alles te verwoorden en te vergroten. Maar al dat streven, iets willen worden of bereiken, verkleint alleen maar het ‘Nu’… het enige nooit eindigende momentje dat ooit werkelijk levendig is... Het leven is ‘Nu’ of nooit; een toekomst bestaat niet!
En zo kan ook inzicht alleen ‘Nu’ of nooit zijn. Inzicht is geen te bereiken doel; je kunt ze niet verkrijgen door inspanning of door een opeenstapeling van kennis en ervaring. Je kunt ze ook niet vasthouden. Ze is er in een flits, bloeit, sterft en komt opnieuw tot bloei van moment tot moment, zoals het leven zelf.
Het ‘Nu’ is niet het heden van de tijd; het heden is, net als het verleden en de toekomst, een illusie van het denken. Het ‘Nu’ is het tijdloze en dus eeuwige moment van het leven. Misbruik het niet om het dode verleden op te roepen en dit 'dode iets' in een niet-bestaande toekomst te projecteren. Werkelijk in het ‘Nu’ zijn en leven betekent zien én weten wat is, zonder meer.
Iemand vroeg of je weet dat inzicht ‘naar binnen kijken’ betekent en dat je dus alle antwoorden binnen jezelf vindt. 'Meneer, je ziet iets heel belangrijks over het hoofd: als je beseft dat er maar één geheel is, dan krijgt ‘naar binnen kijken’ een heel andere betekenis: het geheel tot in zijn binnenste doorzien.
zien én weten... 04
Iets trok je aandacht en je keek naar de top van de grootste boom die dicht bij de oever van de vijver staat. Hoog boven zag je, in het vreemde licht van de lentezon, een grote, slanke, zwarte vogel kaarsrecht en bewegingsloos zitten. Hij was zeer waardig en je wist meteen wat het was dat je aandacht trok: zijn gebundelde energie die op geen enkele manier versnipperd was. Hij was één met alles wat er was. Alleen de mens is bijna nooit volledig aanwezig in het ‘Nu’ en dus nooit één met alles — met het geheel van wat werkelijk is. Hij heeft denkbeelden over van alles en nog wat, maar een denkbeeld is slechts een projectie van een dood verleden naar een toekomst die nooit zal bestaan. De mens leeft in concepten, conclusies en illusies; je zou zelfs kunnen zeggen dat hij helemaal niet leeft, omdat leven volledige aanwezigheid in het ‘Nu’ vergt.
Kun je dat alles zien — zonder goed- of afkeuring, zonder de verleiding er iets aan te veranderen — en simpelweg zien wat is, het feit? Om het geheel in zijn totaliteit te kunnen zien, moet je de juiste positie innemen, net als de vogel op zijn hoge tak die voortdurend alles alert waarneemt en in een flits vanuit het ‘Nu’ handelt als dat nodig is.
Als je je te sterk op een deel van het geheel focust, ga je je ermee identificeren. Die identificatie met iets specifieks is de wortel van verdeeldheid, van ‘wij tegen zij’-denken en daarmee van conflict. Als je je echter te ver van het geheel verwijdert, beland je in theorieën en waanvoorstellingen over ‘hoe het zou moeten zijn’ — zaken die niets te maken hebben met de werkelijkheid, met het leven.
‘Niets zijn’ betekent letterlijk ‘niet iets’ zijn; dat wil zeggen: geen ding zijn en geen identificaties hebben. Het is het louter zien van wat is, zonder oordeel en zonder vergelijking, omdat oordelen en vergelijken altijd gebaseerd zijn op kennis — en kennis is per definitie beperkt en oud. ‘Nieuwe kennis’ is een illusie; alle kennis berust immers op denken en tijd, en behoort dus tot het verleden. Het nieuwe ís het leven; zodra je het als kennis archiveert, maak je er een dood ding van.
Later op een bankje laat je de verkenning van de ochtend de revue passeren. Iemand had een mailtje gestuurd: ‘Als ik goed over je teksten nadenk, zie ik dat de beroepen van militair en politicus tegen de mens gericht zijn en een schande voor de maatschappij; ik zou die van de jurist en politiebeambte daar nog aan toe willen voegen. Ben je het daarmee eens?’
Je had voorgesteld dit onderwerp samen te verkennen — niet de vraag of je het ermee eens bent, die op zich betekenisloos is, maar de essentie van de stelling.
‘Waarschijnlijk doelde de vraagsteller op de gemeenschappelijke factor: het uitoefenen van macht over anderen. Het verschuilen in een uniform of achter een positie maakt de daad onpersoonlijk, omdat het uniform of de positie bewust of onbewust als masker wordt gebruikt.’
Staat de soldaat, de politicus of wie dan ook in die positie werkelijk los van de mens, van het menselijke wezen dat hij of zij is? En is machtsuitoefening beperkt tot deze beroepen? Is de interne opsplitsing tussen beroep en mens niet louter denkwerk, net zoals we de mensen die deze beroepen uitoefenen los van de maatschappij bekijken? Zijn ze geen deel van de samenleving, en wat is de maatschappij uiteindelijk?
‘Terwijl ik naar de vragen luisterde, kwam het begrip bewindspersoon in mij op — de regerende mens in zijn functie. Hier hanteren we officieel het begrip "persoon", en als we naar de oorsprong van dit woord kijken, betekent dit letterlijk: masker of toneelrol. De mens speelt als persoon een rol of draagt een masker; hij of zij ís dat niet echt. Hetzelfde geldt voor een uniform: de soldaat of politieagent "trekt letterlijk zijn functie aan" en gebruikt deze als rechtvaardiging dat zijn handelen losstaat van hem als mens.’
Hij of zij maakt zich tot iets, tot een ding. Kan een ding liefhebben of mededogen voelen? Kan een mens die vanuit zijn functie mensen doodt — of uit plezier voor de jacht leeuwen of vossen vermoordt of de natuur vernietigt — naar huis gaan en een liefhebbende vader zijn? Of is het volkomen logisch dat hij zijn verdraaide wereldbeeld doorgeeft aan zijn kind? Voedt hij het kind niet op vanuit zijn ideologie, vanuit de illusie dat je in je functie iemand anders bent dan de man die thuis zijn kind opvoedt? Heeft het verkeren in denkbeelden het menselijke wezen in hem niet al lang gedood? Is wat dan rondloopt niet allang alleen nog de "persoon" in de letterlijke betekenis: een rol, een masker?
Ik beweer het niet, ik vraag het alleen en stel het ter discussie.
Misschien is er een verschil tussen het masker van de functie en het masker van de echtgenoot, de vader, de minnaar of de buurman. Druist het dragen van een masker en het spelen van een rol niet volledig in tegen het natuurlijke leven?
‘Je vraagt je af of de mens die zich met een functie of een andere rol identificeert, nog wel een levend wezen is. Of wisselt hij of zij alleen nog van de ene naar de andere rol als een toneelspeler, zonder echte identiteit?’
Ik zie het feit dat hij in zijn functie leeft in een realiteit en niet in de werkelijkheid. Hij kan de waarheid ervan niet meer beseffen, omdat voor hem de rol — de zelfgeënsceneerde realiteit — werkelijkheid en waarheid is. Bijgevolg reageert hij op wat is (de werkelijkheid) vanuit de denkbeelden van zijn zelfgeschapen realiteit. Van werkelijk handelen — zien wat is én handelen in één beweging — is nooit sprake. Zijn hele doen en laten is een reactie om de werkelijkheid aan te passen aan zijn eigen realiteit: zijn illusies en denkbeelden. Hij is voortdurend in verzet tegen de werkelijkheid, en dus tegen het leven. Volledig ongeacht of hij nu in functie is of thuis.
‘Als we daarop doorgaan: dan is het niet voldoende om alleen de werkelijkheid te zien, dan is werkelijke verandering pas mogelijk als ik besef dat de realiteit waarin ik verkeer — persoonlijk en collectief — een illusie is?’
Het perspectief van waaruit je kijkt is cruciaal. Zolang je de realiteit als standpunt inneemt, is het zien van de werkelijkheid onvoldoende; het roept dan alleen weerstand op omdat die werkelijkheid tegen de realiteit indruist. Pas als je jouw realiteit in vraag begint te stellen en je denkbeelden in twijfel trekt, verliezen ze hun grip. Ze verliezen hun masker en je herkent ze voor wat ze zijn: niet feitelijk, irreëel, idealistisch.
Dit wordt misschien meer duidelijk aan de hand van een voorbeeld. Ik sprak onlangs iemand die veganist is en nu plant — tegenwoordig wordt waarschijnlijk helemaal alles gepland — om kinderen op de wereld te zetten. Hij plant nu al dat zijn kinderen ook veganist moeten worden. Iemand in zijn omgeving stelde dat hij hen hiermee geweld aandoet omdat het onnatuurlijk is. De man was echter van mening dat het óók dwang is als je een kind niet-veganistisch opvoedt. Op mijn vraag waar het verschil ligt — aangezien ze in essentie beiden voorstander zijn van een gewelddadige opvoeding — werd hij boos en somde hij alle pluspunten van het veganisme op. Hij zag niet dat er een derde optie is: het kind in vrijheid laten ontdekken wat juist is.
De mens — in het algemeen — komt niet verder dan het kiezen van een kant, niet begrijpend dat waar keuze is, geen vrijheid bestaat. Het woord "keuzevrijheid" is een waanidee van een verwrongen geest die in onvrijheid verkeert. Zo’n geest is gevangen en uitsluitend geïnteresseerd in meningen en conclusies, niet in feiten. Voor zijn mening voert hij oorlogen en verwoest hij de wereld en zichzelf; voor de feiten sluit hij zijn ogen.
‘Wat je wilt laten zien, is dat geweld heel diep geworteld is in de mens en de hele samenleving, nietwaar? Dat werpt de vraag op of de mens van nature gewelddadig is, misschien een erfenis van het dier.’
Het is een feit dat de mens altijd gewelddadig heeft geleefd, maar het geweld van de mens verschilt wezenlijk van het geweld van het dier. Een dier gebruikt geweld alleen als het niet anders kan, uit noodzaak om te eten of bij direct gevaar. Geen dier op aarde doodt uit plezier of uit berekening. Dierlijk geweld is puur functioneel, een biologische noodzaak. Menselijk geweld is psychologisch; het komt voort uit denkbeelden en ideologieën die dan bijna dwangmatig verdedigd moeten worden. Dit leidt tot haat tegen degenen die een ander denkbeeld hebben.
De oorzaak van dit levensminachtende geweld is dus niet natuurlijk, maar een product van duizenden jaren geestelijke conditionering. We geven dit van generatie op generatie door onder mooie woorden als "traditie" en "religie". De enkeling leeft in de illusie een individu te zijn met een eigen brein en eigen gedachten, maar in feite is dat niet zo. Het fysieke brein mag dan van de enkeling zijn, maar het denken is dat niet. Het is een product van de leefomgeving, opvoeding, geloofsovertuigingen en ervaringen; het wordt voortdurend beïnvloed door de wereld om hem heen.
Dit brengt ons terug bij de kern van de bewering. We zien dat de soldaat, de politicus of de agent een product van de samenleving is en er niet buiten staat. Daarmee rechtvaardig ik hun daden niet; integendeel, het laat zien dat wij gezamenlijk een gruwelijke samenleving tot stand hebben gebracht. Met "samenleving" bedoelen we hier niet een specifiek land, maar de hele mensheid op aarde.
‘Als je zegt dat wij die samenleving tot stand hebben gebracht, roept dat bij veel mensen direct weerstand op.’
Als dat zo is, heeft diegene helaas niet begrepen waar we over spreken en blijft hij hangen in denkbeelden van het individu en "ik versus de anderen". Als je begrijpt dat leven "in relatie staan" betekent, zie je dat niemand een individueel leven heeft. Er is slechts één leven waarvan we deel uitmaken, en elk deel beïnvloedt het geheel. Het geheel is de totaliteit van alle delen; als er één deel verandert, verandert het geheel. Dientengevolge is elk mens, of hij nu wil of niet, absoluut verantwoordelijk voor de hele mensheid en voor het hele leven — simpelweg omdat hij er onlosmakelijk deel van uitmaakt. Wat je doet of laat, werkt in op alles wat is.
‘Wat je doet of laat... waarschijnlijk leggen de meeste mensen veel te sterk de focus op het doen en veronachtzamen ze het laten. Ik bedoel: de wereld zou zeker een betere plek zijn als sommige dingen nooit waren gedaan.’
Dat is zeker niet te ontkennen, maar we moeten echt goed oppassen niet te blijven hangen op het verstandelijke vlak, omdat het dan gewoon een nieuw ideaal, een nieuw denkbeeld of zelfs een nieuwe ideologie wordt. We raken hier aan de oude wijsheid van het niet-doen, maar helaas wordt dat meestal volledig verkeerd begrepen. Niet-doen betekent niet dat je niets doet; het betekent: reageer niet op de werkelijkheid vanuit denkbeelden, illusies of ideologieën. Het betekent: handel op basis van wat is — de werkelijkheid die het leven zelf is.
Om op die manier te kunnen leven, moet je dat wat we hier hebben besproken met je hele wezen beseffen — sterker nog, je moet dit met je hele wezen zijn. Als je zegt: "Oh, een interessante theorie," dan verandert er niets. Dan is het volledig waardeloos en een verspilling van tijd en energie.
zien én weten... 05
Een lentedag vol pracht en glorie; de eerste van dit jaar. Staande op het kleine maar stevige houten bruggetje, omgeven door in de zon opbloeiende bomen en struiken, luisterde je naar het kabbelen van het riviertje en het gezang en getjilp van waarschijnlijk duizenden vogels die de warmte verwelkomden. Je keek heel aandachtig naar alles om je heen en voelde de zon op je gezicht terwijl je je blik langs de blauwe lucht liet dwalen. De lange, koude en natte winter — hoewel die die ochtend nog voelbaar was — voelde nu al als ververleden tijd en vergeten. Elk levend schepsel was blij met wat er was en bloeide op; zelfs de meeste mensen die je op het wandelpad was tegengekomen.
Op dit bruggetje was je werkelijk alleen in de ware betekenis van dit woord: al-één-zijn. En dat was zo omdat ‘jij’ er helemaal niet was; tenminste, niet dat wat we gewoonlijk bedoelen als we over onszelf spreken: je ik, je ego, je bewustzijn.
Bewustzijn… wat is dat eigenlijk? Het is het denken dat via het verleden — kennis, ervaring, herinneringen — de werkelijkheid die via de zintuigen binnenkomt, vergelijkt, beoordeelt en vertaalt naar een realiteit. Op die manier ontstaat verdeeldheid. Als je zo naar een boom kijkt en denkt: 'die is mooi', dan wordt dat 'mooi' een vergelijking of een oordeel ten opzichte van een beeld in je hoofd. Dat creëert wanorde. Het is cruciaal om te begrijpen dat dit volledig losstaat van de vraag of het oordeel positief of negatief is.
Wanorde is simpelweg de afwezigheid van orde, niet het tegenovergestelde ervan. Orde is geen toestand die je kunt bereiken of iets waaraan je moet voldoen; het is het zien van elk deel in het geheel, precies zoals het is, zonder enige weerstand. Wanneer je dit volledig beseft, zie je dat de wil om orde te scheppen, de drang om iets te bereiken of het verlangen om iets te veranderen, juist al wanorde ís.
Handelen vanuit orde verschilt totaal van reageren vanuit wanorde. Handelen vanuit orde is zien én weten én handelen in één, in zich gesloten beweging. Reageren vanuit wanorde voltrekt zich in stappen: zien — oordelen — plannen — de planning uitvoeren.
Het is van het hoogste belang de werking van het bewustzijn in zijn totaliteit te beseffen, want dan zie én weet je dat een 'hoger' of 'lager' bewustzijn, of het onderscheid tussen collectief en persoonlijk bewustzijn, louter bedenksels van het bewustzijn zelf zijn. Natuurlijk zijn er verschillende lagen — wat we meestal het onderbewuste noemen — maar in feite is het bewustzijn voortdurend in zijn geheel in werking. Het bepaalt ons doen en laten, althans zolang we onaandachtig zijn; dat wil zeggen: zolang we niet elke gedachte, emotie en elk gevoel waarnemen en de volle ruimte geven.
Het bewustzijn is zijn inhoud. Daarom kun je via het bewustzijn het andere — de staat van bewust zijn — nooit bereiken. Je kunt er voortdurend iets aan toevoegen, meer kennis of ervaring, maar dat is slechts het vullen van de kamer, niet het verlaten ervan. De 'kamer' verlaten is alleen mogelijk via besef en inzicht in het geheel. Dat is uitsluitend mogelijk door aandachtige observatie van 'wat is', zonder meer — zonder doel, zonder ook maar het geringste verlangen of streven naar resultaat. Op die manier waarnemen is zien én weten, en dat is de handeling die alles verandert. Het is de handeling zonder weg, zelfs zonder weg terug. Zolang je blijft vragen: 'wat is er dan?', ben je er niet, en blijft het onmogelijk om er werkelijk te zijn.
Je was verder gelopen langs het rustig kabbelende riviertje, luisterend naar een ijsvogel. Bijna was je in de val van het willen en streven getrapt, omdat je de ijsvogel zo graag wilde zien. Maar 'wat is' laat zich niet dwingen. Concentratie op iets bepaalds is de vernietiging van ware – altijd onverdeelde – aandacht; maar het mooie is: zodra je dat opmerkt, is er alweer aandacht. Zie je het? Aandacht betekent absoluut en bewust in het 'Nu' zijn, en dat is leven.
Nu zat je op een dode boom bij een kruising van wandelpaden midden in het kleine bos en keek je door de toppen van de bomen recht in de zon, die vanaf een strakblauwe hemel op je neerkeek. Nadat je alles om je heen goed in je had opgenomen, sloot je je ogen. Opeens hoorde je zwaar hijgende geluiden. Toen je keek, zag je in het prachtige zonlicht een grote, waarschijnlijk al wat oudere hond moeizaam in je richting lopen. Hij kwam je even dag zeggen en keek je heel vriendelijk aan. Er was meteen een band en hij wachtte bij je tot zijn baasje naderde. Zij verontschuldigde zich dat haar hond je lastigviel en zei dat hij veel moeite had met zijn ademhaling. Je antwoordde: 'Dat is dan zo.' Ze keek geïrriteerd, bijna een beetje boos, en liep meteen verder. Haar hond bleef nog even; voor hem waren je onbedacht gekozen woorden geen enkel probleem. Hij was aanwezig met zijn hele intelligentie; hij had zichzelf niet gereduceerd tot louter zijn intellect, zoals zijn baasje. Dit is geen verwijt aan die vrouw, maar een nuchtere observatie. Zij staat hier slechts symbool voor de overgrote meerderheid van de mensen die een deel — het intellect — tot meester over het geheel hebben gemaakt, in plaats van het intellect slechts zijn juiste en evenwichtige plek toe te kennen.
V (V staat niet voor een bepaald persoon, maar voor vraagsteller of vriend, wat in essentie hetzelfde is omdat je een vraag niet samen serieus kunt onderzoeken als er geen zekere mate van genegenheid is) vroeg, een paar dagen na het gesprek over wat de samenleving uiteindelijk is: ‘Als ik dit alles met mijn hele wezen "ben", hoe verhoud ik me dan tot, of communiceer ik met de maatschappij die nog steeds vanuit maskers en geweld opereert? Moet ik me terugtrekken of juist midden in de chaos staan?’ Niet onbeleefd bedoeld, maar heel nuchter en eerlijk gezegd: als je deze vraag stelt, 'ben' je het niet. Als je beseft dat jij en de samenleving — of veel juister en belangrijker: het leven — één zijn, dan handel je gewoon vanuit die staat van zijn. Je kunt je niet terugtrekken uit wat je bent. Leven betekent 'in relatie staan'. Als je beseft dat je onlosmakelijk deel van het leven bent, begrijp je dat alles wat je doet, of je je nu terugtrekt in afzondering of niet, invloed heeft op het geheel. Dan besef je dat 'in relatie staan' niet te reduceren is tot je verhouding met medemensen; of je nu met weinigen of zelfs met niemand omgaat, is van weinig betekenis. Je staat net zozeer in relatie tot de voorbijganger als tot de boom, de vlieg, de lucht of de regendruppel op je raam, en — heel belangrijk — tot je eigen gedachten, emoties en gevoelens. Elk deel is een onlosmakelijk onderdeel van het geheel; als een deel verandert, verandert het geheel. Als je naar de letterlijke betekenis van het woord relatie kijkt, wordt dat heel helder: ‘het ene dat naar het andere verwijst’ of ‘in verhouding tot elkaar’.
Paradoxaal genoeg heeft het denken — het bewustzijn — de werkelijkheid en waarheid van dit belangrijke woord vertaald op basis van zijn in verdeeldheid verkerende realiteit: het maken van een verbinding tussen twee losse dingen, het ene individu met het andere verbinden. Maar er is slechts één levend geheel en er zijn helemaal geen individuen. 'Individu' betekent letterlijk ‘on-deel-baar’. Toch kan de mens feitelijk helemaal niet op zichzelf bestaan en is hij dus geen afgescheiden individu, maar een deel van het geheel dat we leven noemen.
Als je dit alles goed volgt, zie je dat er geen echte communicatie tussen mensen kan plaatsvinden zolang zij een bestaan leiden in door het bewustzijn gecreëerde denkbeelden — of is het nauwkeuriger, bijna juister om te zeggen: een bestaan lijden? Er staan dan immers denkbeelden tegenover elkaar en geen levende wezens. Van communicatie — letterlijk: gemeenschappelijk, delen met anderen — is uiteindelijk helemaal geen sprake, evenmin als van een echte relatie. Dat klinkt tegenstrijdig, aangezien we zeiden dat leven 'in relatie staan' betekent, maar vraag je eens af: is er sprake van werkelijk leven als we vanuit dode denkbeelden op elkaar reageren? Het leven is Nu; je kunt het niet ontmoeten in een dood verleden of een niet-bestaande toekomst, de schuilplaatsen van alle ideologieën, theorieën, concepten, enzovoort.
Waarom vraag je ‘hoe verhoud ik me dan?’ Zie je niet dat dit een verkeerde vraag is die alleen weer naar een nieuw denkbeeld vraagt en niets te maken heeft met het ‘Nu’, het leven? Zien, zonder meer, is de enige handeling die belangrijk is en die alles verandert. Wil je eigenlijk werkelijk veranderen – heb je daar echt eens bij stilgestaan – of is het lezen van dit alles gewoon een vorm van tijdverdrijf, nieuwsgierigheid in een zogenaamde filosofie of iets dergelijks? Je vraagt ‘wat moet ik doen'; begin toch met die vraag, onderzoek het nu meteen. Of kijk naar de boom voor je raam. Zie je de boom echt — met volledige, ongespleten aandacht — of komt er meteen het woord 'boom' of de soortnaam in je op? Als het woord – en daarmee het beeld – er is, zie je de boom, of waar je ook naar kijkt, niet werkelijk. Zie je ooit je vrouw, vriendin, man of kind werkelijk, met je hele wezen? Met je hele wezen zien is veel meer dan alleen kijken met je ogen; het betekent waarnemen met al je zintuigen, al je energie onvoorwaardelijk aan het Nu geven. Begin toch gewoon met de eerste stap — met volle aandacht zien wat is — en niet met een onbezonnen vraag die je alleen maar wegleidt uit het Nu, de werkelijkheid, het leven.
zien én weten... 06
Het vijvertje baadde, alleen maar heel zachtjes bewegend, in het licht van een gouden middagzon. Vanuit het bankje op de kleine hoogte was het een grote vreugde om dit heerlijke tafereel — dat je nooit nog eens zo zou zien — gade te slaan. Het kleine, prachtige plekje is omgeven door hoge, mooie bomen van diverse soorten die samen een bos vormen dat je altijd in absolute stilte verwelkomt. Vanaf de eerste stap ben je er deel van en als je wilt, staat het je toe het mee te nemen; niet in je handen, maar in je geest, je hele wezen.
Dit mooie plekje is — tenminste als je echt met je hele wezen aandachtig aanwezig bent — een uitnodiging voor meditatie. Die komt vanzelf als jij, de denker, de waarnemer, er niet bent. De denker, de waarnemer, kan meditatie niet uitnodigen; hij moet stilvallen en één worden met de stilte die alles omvat.
Vraag nu niet weer ‘hoe?’… Wij — jij en ik, de lezer en de schrijver, tenminste als we samen werkelijk met dezelfde aandacht gelezen en geschreven hebben — hebben dat zo vaak onderkend; misschien is het zo gewoon en simpel dat je het nu over het hoofd ziet. Observatie, het gadeslaan van wat is zonder dat de denker, de waarnemer ingrijpt als censor die vergelijkt en oordeelt… dat is de vlam die de muur van oude as opbrandt zonder nieuwe as achter te laten. Helaas hunkeren de allermeesten van ons ernaar meer as toe te voegen; zij zien in de dode as de hoogste waarde en zijn bang voor de levende vlam. Om het heel duidelijk te maken: de vlam is het Nu, het leven; de as is het dode verleden en de projectie ervan in een niet-bestaande toekomst.
‘Kan ik nu echt helemaal niets doen om het op te roepen?’ hoor je ze alweer vragen als je dit schrijft. Nee, je kunt niet ‘iets’ doen. Iets doen is richting geven, en richting geven is uitsluiten. Je kunt alleen nietsdoen, wat letterlijk betekent: niet iets (bepaalds, specifieks) doen, maar oplettend en met absoluut onverdeelde aandacht waarnemen wat is. En wat ‘is’, is alles wat er is: het leven in zijn gehele gebeuren.
Maar omdat je blijft vragen, doe toch eens gewoon voor de lol — maar maak er in hemelsnaam geen oefening van — het volgende: ga ontspannen zitten, kijk goed naar alles om je heen zodat je beseft waar je bent en wat er om je heen gebeurt. Als je wilt, kun je dan je ogen zachtjes sluiten; het maakt het makkelijker omdat je dan niet van buitenaf afgeleid wordt (later kun je het met open ogen doen). Merk op wat je ogen doen: je voelt dat ze voortdurend kleine schokjes maken. Ze blijven kijken — zelfs met gesloten oogleden — naar gedachten, herinneringen of projecties. Dit is de spiegel van je onrustige hersenen. Probeer nu de oogappels heel zachtjes, zonder dwang, volledig onbeweeglijk stil te houden. Let op dat je ze niet op één bepaald punt focust, dat zou alweer dwang zijn; laat ze gewoon rusten en voel dan hoe zij én je hersenen heel stil worden. Kijk wat er met je gedachten gebeurt op het moment dat je ogen fysiek stilstaan. Je zult merken dat het bijna onmogelijk is om een actieve gedachte vast te houden als de ogen niet meebewegen. Maar nogmaals: dwing de ogen niet. Zodra er dwang is, is er conflict, en waar conflict is, is geen stilte, geen meditatie. De kunst is de beweging stop te zetten door zich ervan bewust te worden; het is geen wedstrijd om ze vast te zetten of te meten hoelang je het kunt volhouden.
Als we naar de oorsprong van het woord meditatie kijken, komen we in het Latijn uit bij ‘overpeinzing’ of ‘contemplatie’ en vinden we zelfs een samenhang met ‘genezen’ — een helende werking voor de geest dus. Maar meditatie bestaat in het Oosten al duizenden jaren, lang voordat Latijnse woorden ontstonden. In het Sanskriet is er een woord dat, als je het nauwkeurig vertaalt, ‘absolute aandacht’ betekent. Deze richt zich op de juiste manier van luisteren naar de absolute stilte die niets uitsluit maar alles omvat: de oerklanken van het universum waarin alles tot leven komt.
Heb je ooit eens geluisterd met onverdeelde, absolute aandacht; oftewel naar alle geluiden tegelijkertijd? Absoluut zonder uitsluiting naar de verre vogel, de voorbijrijdende auto, het geritsel van de wind en het geluid van je eigen ademhaling? Zelfs zo absoluut dat er niet eens een gedachte bijkomt zoals ‘dat is een vogel’. Als de gedachte er is, ben je al niet meer aan het luisteren. Probeer het geluid te horen zonder er een naam aan te geven. Doe het niet ‘ooit’ — wat toch al nooit betekent — maar nu, meteen. Wanneer je luistert zonder meer — dat wil zeggen: zonder vergelijking of oordeel in de vorm van gedachten zoals ‘dat is irritant’ of ‘dat is mooi’ — verdwijnt de afstand, de grens tussen de luisteraar en het geluid. Opeens merk je dan misschien zelfs op dat elk geluid opkomt uit een diepe stilte en daar weer in verdwijnt.
Meditatie was voor de religieuze mens — we gebruiken het woord religieus hier in zijn diepste betekenis: alle energie bundelen om de verdeeldheid schepende essentie van het denken te beseffen en op die manier te ontstijgen; niet in de goedgelovige (on)zin die het menselijk denken ervan heeft gemaakt — buitengewoon belangrijk. Je vindt het zelfs terug in symbolen en figuren die zo'n zevenduizend jaar oud zijn, van nog voordat de ons bekende woorden of schriften bestonden. Maar noch het symbool, noch het woord is datgene waarnaar het verwijst. Je moet in meditatie zijn om het te zien.
Toen je het bosje binnenstapte, zat er iemand op het bankje en dus was je het grote rondje om het vijvertje gelopen; het was prachtig om te zien hoe de lente alles tot bloei liet komen. Zelfs sommige mensen die je tegenkwam, schenen ervan in de ban te zijn geraakt en op te leven. Bijna de hele tijd schreeuwde er een baby. Je zag het kind met zijn ouders op de houten steiger. Ze hadden het in een speciale babystoel op het mooiste plekje gezet — helaas pal in de zon. Als je een beetje gevoelig was en met de baby meeleefde, besefte je dat de waarschijnlijk goede bedoeling van de ouders het leed van het kindje was. Maar elke goede bedoeling die gebaseerd is op denkbeelden in plaats van op dat wat Nu is — de werkelijkheid, het leven — is misvormd en geen ware liefde. Liefde is nooit vervormd, omdat zij alleen handelt vanuit én in het Nu; anders is het geen liefde. Liefde en leren hebben een wezenlijke gemeenschappelijke factor: zien én weten. Je vermoedt het al: we hebben het niet over leren in de tegenwoordig gangbare betekenis (het opeenstapelen van kennis), maar over leren in de betekenis van een staat van onophoudelijk aandachtig waarnemen van wat is. Kun je samen met je kind de situatie verkennen en vanuit deze verkenning handelen, of zeg je zoals de vader van de baby op de vraag of de felle zon misschien niet een beetje te veel van het goede is: ‘Daar moet hij aan wennen, we zijn buitenmensen’… Is het liefde, medeleven, samenleven als je je kind opvoedt om aan jouw ideaal of wereldbeeld te voldoen? Ik vraag het alleen maar, zonder te beweren dat het zo is of niet… het is niet belangrijk om ‘ja’ of ‘nee’ tegen iets of iemand te zeggen; belangrijk is om zonder doel te verkennen wat is en op die manier tot zien én weten te komen.
~~
De ‘nieuwgeboren’ veganist liet weer eens van zich horen. Hij was een belezen en gestudeerd man van bijna dertig jaar, sportief in zijn hele verschijning, die sinds ongeveer twee jaar veganist was en nu absoluut geen begrip meer kon opbrengen voor de andere 98% van de mensen die dat niet waren:
‘Als je de feiten kent, is er geen andere conclusie. De mens heeft geen dierlijke producten nodig om gezond te leven. Dat is wetenschappelijk bewezen. Een mening kan niet tegen feiten op. Dat is wat er helemaal misgaat als het om de uiting van meningsvrijheid gaat. Als de wetenschap een feit benoemt, moet je daarnaar handelen. Het is verwerpelijk hoe de media met wetenschappers omgaan; ze zetten ze samen met een criticus van een kritische politieke partij in een talkshow en presenteren dat als een uitgewogen discussie. Maar het is feit tegenover mening. De kijker ziet het als gelijkwaardig, maar de realiteit is dat de ene weet en de ander niet. We moeten de wetenschapper meer waarderen en vertrouwen. Als we dat deden, zouden we bij de belangrijke onderwerpen van onze tijd veel verder zijn: klimaat, integratie en een gezonde veganistische levensstijl.’
Kan een feit voortkomen uit, of gebaseerd zijn op niet-feiten — zoals bij de bestrijding van de zogenaamde klimaatverandering, die voornamelijk op modellen en aannames is gebouwd? Is de wetenschapper op tv 'de wetenschap'?
Vertegenwoordigt hij werkelijk een feit, of zoals ze het zelf noemen alleen de ‘wetenschappelijke consensus’? Of is hij misschien zelfs niet meer dan een ideoloog die een zelfgecreëerde realiteit verdedigt en ontkent hij op die manier niet de essentie van wetenschap: twijfel, onderzoek en debat? Is een echt, serieus wetenschappelijk werkend mens bang voor de werkelijkheid? Of anders gevraagd: waarom zoekt hij alleen naar bevestiging van zijn vooraf bepaalde onderzoeksdoel? Heeft serieuze wetenschap een einddoel, iets dat bewezen moet worden, of kijkt serieuze wetenschap alleen naar wat is?
Je hebt het niet over feiten en niet over wetenschap, maar over een ideologie als je alleen in één richting zoekt en de punten over het hoofd ziet die tegen deze richting spreken. Nog duidelijker wordt dit als je begint de criticus weg te zetten als niet-wetend of zelfs gevaarlijk. Weet je eigenlijk wat een echte criticus is, wat het woord criticus letterlijk betekent? Iemand die in staat is te onderscheiden, die ziet wat is en vanuit dat inzicht handelt. Een ware criticus volgt dus geen ideologie, geen denkbeeld, maar is alleen bezig met de feiten van het geheel. En dus is er geen keuze. Een ideoloog is het volstrekte tegendeel, letterlijk: ‘een mens die een concept in zijn hoofd heeft’. Hij kan niet anders dan verdeeldheid en conflict in de wereld brengen. Als je achter hem aanloopt, word je deel van de ideologie en leid je een bestaan in verwarring; verwarring tussen werkelijkheid — wat is — en realiteit — de werkelijkheid bekeken vanuit concepten en denkbeelden.
De stam van het woord ideologie is oeroud. Je vindt zijn wortels in het Latijn en in het mooie woordje ‘idee’, dat letterlijk ‘iets gezien hebben’, ‘inzicht krijgen’ en ‘zien is weten’ betekent. Het heeft aldus helemaal niets te maken met wat wij er in de loop van de tijd van gemaakt hebben. In het Sanskriet zijn dezelfde verwijzingen en zelfs een link naar wijsheid te vinden. In zijn diepste oorsprong had ‘een idee hebben’ niets gemeen met verdeeldheid en conflict tussen wat is en een beeld in je hoofd over hoe het moet zijn, maar met inzicht in het Nu, in het leven. Echt een idee van iets hebben is een onverdeelde, voortdurende beweging in het Nu: zien én weten én handelen zijn onlosmakelijk één. De ideoloog — dit woord ontstond pas rond 1800 — heeft er meer en meer een abstractie van gemaakt. Zijn handelen is in feite geen actie voortkomend uit de werkelijkheid, maar een reactie vanuit een denkbeeld op de werkelijkheid.
Waarom volg je een ideologie? Besef je dat je op die manier het bestaan van een tweedehands mens leidt? Denk je dat jouw ideologie beter is dan welke andere dan ook? Zie je niet dat ze in essentie allemaal hetzelfde zijn: verdeeldheid zaaiende dogma’s die niets te maken hebben met de werkelijkheid, voortkomend uit verwrongen geesten die in abstracties verkeren en beweren dat alleen zij het juiste antwoord hebben? Of je nu aan de ideologie vervallen bent van een kerk — welke dan ook — of aan die van de communist, de woke klimaatdrammer of de nieuwste goeroe: het maakt geen verschil. Zolang je een volgeling bent van welke ideologie dan ook, houd je de oorzaak van het kwaad en de pijn van de wereld in stand. Het is helemaal jouw eigen verantwoordelijkheid het nooit veranderende mechanisme te beseffen en zo te doorzien, en op die manier ervan vrij te zijn.
Wil je de kinderen van de wereld echt beletten zelf te zien wat werkelijk is? Wil je ze vanaf de eerste dag het bruisende leven ontnemen en ze tot blinde volgelingen van een dood denkbeeld maken? Zie je niet dat het in essentie hetzelfde is of je ze nu tot veganist of anti-veganist opvoedt, of je ze leert dat er een god bestaat of dat er helemaal geen god bestaat? Heb je zo weinig vertrouwen in de kinderen van de wereld dat je bang bent dat ze onmensen worden als ze geen richting krijgen? En zie je dan niet iets essentieels over het hoofd: het feit dat we al duizenden jaren in een onmenselijke, op ideologieën gebaseerde wereld vol wreedheid, haat en geweld leven?
zien én weten... 07
Terug in de auto was je opeens toch blij dat het zo goed afgelopen en voorbij was: je ontmoeting met de jongens bij de parkbank, nog maar enkele minuten geleden. Plotseling was je je er helder van bewust dat het snel uit de hand had kunnen lopen. Dit bewustzijn kwam echter voort uit het intellect dat terugkeek op wat was – heel anders dan de werkende intelligentie, die staat van puur bewust zijn in het Nu, die tijdens het gebeuren zelf aanwezig was. Het intellect kan zich de werking van de intelligentie later voor ogen halen, maar op het moment van werkende intelligentie moet het zwijgen. Anders is er geen sprake van intelligentie.
Intelligentie is zien én weten in één beweging, zonder de tussenstap van intellectuele interpretatie. Intelligentie is actie in het Nu en gebruikt het intellect alleen om de woorden te formuleren die je spreekt, maar zonder dat die woorden door het intellect zelf worden gefilterd of gevormd. Het intellect op zichzelf is nooit werkelijk in het Nu, in het enig echt bestaande ogenblik van het leven. Het gebruikt het Nu – dit heilige ogenblik – slechts om het vorige ogenblik te vertalen op basis van kennis en ervaring uit een voorbij verleden, om dit vervolgens in het volgende ogenblik als reactie te uiten.
We gebruiken hier bewust het woord ‘actie’ wanneer we spreken over het doen en laten in een staat van intelligentie, en ‘re-actie’ wanneer het doen en laten voortkomt uit het intellect. Zo zie je meteen heel helder het verschil: actie betekent letterlijk ‘één handeling’ – dus zonder tussenkomst van tijd/denken. Het voorvoegsel ‘re-’ maakt het letterlijk tot ‘terug-handeling’. Hoe leef je: reageer je vanuit het dode verleden of beweeg je mee met het stromende leven? Besef je de diepte van deze vraag? Het is geen vraag die je zomaar kunt beantwoorden. Uiteindelijk kom je erachter dat er nooit een afsluitend antwoord bestaat. Je kunt de vraag alleen van ogenblik tot ogenblik benaderen in een staat van zelf-bewust-zijn – in de letterlijke zin: je zelf bewust zijn van je eigen doen en laten. Niet achteraf, maar in elk ogenblik opnieuw. Zelfwaarneming – of zelfobservatie – is van veel meer belang en waarde dan zelfkennis. Wat heb je aan kennis over een dood verleden? Is het niet veel belangrijker te zien én te weten wie je bent – Nu – dan wie je was één minuut of tien jaar geleden, of volgens het beeld dat je daarvan construeert en ‘ik’ noemt?
Wat was er eigenlijk gebeurd? Je zat op een mooi houten bankje en keek naar het water van het prachtige vijvertje, waarin de gouden middagzon zich glinsterend weerspiegelde. Diezelfde zon scheen vanaf een strak helderblauwe, wolkenloze hemel op alles neer, voor iedereen – zonder enige voorkeur. Langs de oever naderde luidruchtig een groep jongens. Je nam het waar, meer niet. Opeens kwam een jongen – misschien zeventien jaar oud, slank, gekleed in korte broek en shirt, met een bierflesje in zijn hand dat zeker niet het eerste van die dag was – op je af. Hij liet zich met een brutaal gebaar naast je op de bank vallen, zei iets en keek je provocerend aan.
Je vroeg rustig: “Wat zei je?” – niet uit berekening of keuze, maar gewoon omdat je het echt niet had verstaan. De jongen keek geïrriteerd en je merkte dat de anderen vanaf een afstand verwachtingsvol toekeken. Hij was uit zijn verhaal en vroeg op een veel minder provocerende toon of je geen Nederlands begreep. Je antwoordde dat je naar al het mooie aan het kijken was en dat dit je volledige aandacht opeiste. Hij keek met een dwalende blik over het tafereel dat voor jullie lag, alsof hij het nu pas werkelijk zag, en vroeg of je hier vaak kwam zitten. Er ontwikkelde zich een – niet eens onsympathiek – gesprek. Zijn vrienden kwamen nu dicht voor het bankje staan en vroegen hem wat er aan de hand was. Het was duidelijk dat ze iets heel anders hadden verwacht en ze kregen bijna ruzie onderling. Je vroeg wat ze eigenlijk aan het doen waren. Ze vertelden dat het de eerste dag van hun examenvakantie was. Opeens vroeg er één of je ook een biertje wilde meedrinken en wees naar een plekje waar je dan mee naartoe moest lopen. Je bedankte vriendelijk en ze liepen terug in de richting waar ze vandaan waren gekomen. Je bleef nog even zitten en liep daarna terug naar de auto.
Zelf-bewust-zijn (zelfobservatie) is alleen mogelijk in een werkelijk ongespleten staat van zijn, dat wil zeggen: in absolute aandacht voor ‘wat is’, van ogenblik tot ogenblik. En dat ‘wat is’ omvat alles wat je ziet, hoort en waarneemt om je heen, evenals alles wat in je opkomt via gedachten, emoties en gevoelens. Binnen en buiten staan niet los van elkaar; sterker nog, ze zijn één onlosmakelijke, nooit eindigende beweging.
Let je er ooit werkelijk aandachtig op hoe je door het leven beweegt? Niet alleen fysiek, maar vooral mentaal? Hoe loop je door een onrustige straat, een prachtig park of op weg naar het kantoor van je baas? Creëer je vooraf al een beeld, een verwachting of een voorgevoel van wat je te wachten staat? Als je dat beeld meedraagt, ben je nooit alleen op je pad – in de diepste zin van het woord: al-één-zijn. En als je dat niet bent, zie je nooit iets zoals het werkelijk is. Dan kijk je naar het leven met ogen die vertroebeld zijn door het dode verleden. Omdat binnen en buiten één beweging zijn, wordt de buitenwereld onvermijdelijk een weerspiegeling van je innerlijke staat. Dat is geen theorie, maar een feit. Elk denkbeeld – of het nu positief of negatief is – is verzet tegen ‘wat is’, tegen de werkelijkheid die het leven zelf is.
We hebben het hier niet over gedachten die op magische wijze een realiteit creëren, maar over het simpele feit dat wat je in de buitenwereld ziet, en hoe die wereld op je reageert, diepgaand beïnvloed wordt door je innerlijke gesteldheid. Innerlijk verzet tegen ‘wat is’, in de vorm van een denkbeeld over hoe het zou moeten zijn, schept verdeeldheid en een ‘ik’ dat afgescheiden door de wereld loopt in plaats van in al-één-zijn met het geheel mee te stromen.
Kun je zonder ‘ik’-beeld door de wereld, met het leven meestromen? De vraag is heel serieus en raakt de essentie die nodig is voor een werkelijk harmonieuze levenswijze. Een lichaam dat ontspannen en zonder verzet beweegt, straalt iets anders uit dan een lichaam dat via het denken permanent op alert, bang, vergelijkend of veroordelend wordt gehouden. Als er maar één iemand is – jij – die werkelijk geen verzet meer heeft tegen ‘wat is’, verandert de frequentie van elke situatie of relatie volledig. Niet omdat de buitenwereld opeens paradijselijk wordt, maar omdat je zelf niet langer meewerkt aan de spiraal van verdeeldheid en conflict. Je voedt die spiraal niet meer met gedachten, emoties en de daaruit voortkomende reacties. Er is geen angst, anticipatie of oordeel meer.
Het denken, het intellect, vraagt zich af: kan ik deze onbevangenheid creëren of aanleren? Zie je dat juist die vraag al verdeeldheid schept tussen ‘wat is’ (dat je niet onbevangen bent) en wat je graag zou willen zijn? Het deel – het intellect – vraagt zich af of het het geheel – de intelligentie – in zijn beperkte ruimte kan binnenhalen. Het onbeperkte kan niet in de ruimte van het beperkte wonen; het kan het beperkte alleen omvatten wanneer het beperkte zijn weerstand opgeeft en zich niet langer afsluit. Wanneer het beperkte – het denken, het intellect – zijn eigen beperking volledig doorziet en door absoluut inzicht in zijn eigen werkwijze stilvalt, is het gebeurd. Dan kan de intelligentie tot volle bloei en actie komen.
Vanzelfsprekend vergt deze absoluut bewuste staat van zijn veel energie, maar die energie is er eenvoudigweg omdat je haar niet langer verspilt aan het onophoudelijk interpreteren van de werkelijkheid via denkbeelden. Je ziet én weet, zonder meer. Het ‘én’ gebruiken we hier om duidelijk te maken dat het één absolute, ongespleten beweging is.
Heeft je doen en laten een reden? Dan is het geen actie, maar een re-actie vanuit een denkbeeld. Het gebruik van ‘doen en laten’ in plaats van ‘handelen’ maakt duidelijk dat het bij handelen niet alleen gaat om wat je doet, maar evenzeer – en vaak is dat zelfs belangrijker - om wat je niet doet.
Zelf-bewust-zijn… Kijk Nu – natuurlijk alleen als je werkelijk geïnteresseerd bent – eens goed naar jezelf: ben je je er helder van bewust wat je uitstraalt? Niet via de uiterlijkheid van het lichaam, maar vanuit je energie, je innerlijke gesteldheid? Beweeg je je tegen het leven – vanuit een denkbeeld van hoe het moet of hoort te zijn – of stroom je gewoon mee?
zien én weten... 08
Duizenden regendruppels dansten op het raam. Het was donker in de kamer; alleen het matte, eenzame licht van de straatlantaarn liet de schaduwen opgetogen en uitgelaten, in het ritme van de stormachtige wind, door de kamer bewegen. De grote blauwe ceder was nu één onophoudelijke beweging, en je leefde mee met haar en de eekhoorn die in haar kroon zijn thuis had gevonden.
In het prachtige ochtendlicht van deze dag — dat nog geen schaduw droeg van de naderende storm — zag je hem op het dak zitten, nieuwsgierig om zich heen kijkend, voordat hij vlug in ‘zijn’ boom verdween. Even later kwam hij beneden weer tevoorschijn om voer op te rapen en naar zijn nest te brengen.
Het was mooi om dit alles gade te slaan — mooi in de zuiverste zin van het woord, zonder dat ‘mooi’ het tegendeel wordt van lelijk…
Schaduwen… Noch zijn ze het lichaam dat hen voortbrengt, noch staan ze los ervan. Ze zijn niet het lichaam, niet de beweging en niet het licht dat ze levendig en op zichzelf staand doet lijken… Uiteindelijk behoren ze tot het lichaam zelf, ook al is het lichaam zich er niet van bewust. Zonder lichaam bestaat er geen schaduw.
Net als de schaduw van het lichaam is de schaduw van het bewustzijn onlosmakelijk deel van het bewustzijn zelf.
Iemand vroeg: Als je stelt dat mensen bang zijn voor de “levende vlam” en de voorkeur geven aan de “dode as”, op welke manier moet bewustzijnsontwikkeling dan plaatsvinden om de “levende vlam” te kunnen benaderen?
Is dat de juiste vraag om een antwoord te vinden? Maakt zij niet van begin af aan een juist antwoord onmogelijk, omdat zij al uitgaat van de veronderstelling dat er een ontwikkeling van het bewustzijn nodig is? Zie je dat het een verkeerde vraag is — niet omdat je haar niet zou mogen stellen, maar omdat zij sturend en daardoor onvrij is, en je belemmert om helder te zien?
Wat is uiteindelijk het bewustzijn? Het bewustzijn is zijn inhoud en de inhoud is het bewustzijn: een denkgebeuren dat vanuit een dood verleden een ‘ik’-beeld schept en dit een naam geeft. De “dode as” is het bewustzijn dat met zichzelf bezig is en zich op die manier in stand houdt.
Het woord “ontwikkeling” kent een boeiende geschiedenis. Waar de oorspronkelijke betekenis “onthullen, uitpakken, openbaren” was, verwijst het tegenwoordig naar een geleidelijke verandering of voortgang van een lager naar een hoger niveau. Klaarblijkelijk versterkt een benadering volgens de hedendaagse definitie het bewustzijn slechts en maakt de mens er niet van vrij om het zich voortdurend vernieuwende leven door dode — vergelijkende, oordelende, verlangende — ogen te bekijken.
Maar is een benadering vanuit de oorspronkelijke betekenis — het doen van schaduwwerk, zoals het vaak genoemd wordt, wat inhoudt dat je de lagen van conditionering en overtuigingen afpelt om tot de kern te komen — werkelijk het juiste pad naar de ‘levende vlam’? Wat zou de kern van het bewustzijn zijn? Ongetwijfeld bewustzijn, nietwaar!? De ‘levende vlam’ kun je niet benaderen via welk pad van het bewustzijn dan ook, simpelweg omdat er geen pad naartoe bestaat. De ‘levende vlam’ is de vernietiging van het bewustzijn in een staat van puur bewust zijn in het Nu.
Bewustzijn is totaal iets anders dan bewust zijn (in twee woorden geschreven). Bewustzijn is een beweging van het denken binnen de tijd, vanuit een kern, en heeft dus altijd een uitgangspunt. Wat je ook doet en hoe belangrijk je het ook maakt, het blijft altijd geworteld in het verleden en is dienovereenkomstig onvrij en beperkt. Van bewust zijn is alleen sprake wanneer je absoluut in het Nu — het enige werkelijk bestaande moment van het leven — bent. En vanzelfsprekend is dat uitsluitend mogelijk wanneer het bewustzijn stilvalt, zodat tijd én denken het waarnemen – het helder zien van ‘wat is’ — niet langer vanuit het dode verleden kleuren en vervormen.
De cruciale vraag luidt: kan het bewustzijn zich in een staat van bewust zijn gewaarworden van zijn eigen essentie? Niet dat een deel van het bewustzijn een ander deel analyseert, maar dat het zich geheel gewaarwordt van zijn eigen werkwijze en begrenzingen… en aldus beseft dat alle verdelingen in lager of hoger bewustzijn, schaduwen en welke namen het ook verzint, zijn eigen creaties zijn. Dat er in werkelijkheid slechts één bewustzijn bestaat dat zichzelf in stand houdt en versterkt.
~~
In deze samenhang kwamen ook de volgende vragen op:
“Is bewustwording misschien een beter woord?”
… Zie je niet dat “wording” eveneens denken én tijd is? Een beweging van het bewustzijn binnen het bewustzijn, of — als je zo wilt — een truc van het bewustzijn om zichzelf in stand te houden? Zonder tijd en denken bestaat er geen bewustzijn, geen “ik” dat iets wil worden… Het verschil tussen worden en zijn is dat zijn tijdloos is en dus een vonkje van het eeuwige, van het heilige…
“Mijn bewustzijn is al mijn concepten, identiteiten en ‘ismen’. Als ik die loslaat, wie blijft er dan over?”
… Vraagt en verlangt het bewustzijn daarmee niet gewoon om een nieuwe of betere versie van bewustzijn?
“Als ik geen ideologie volg, hoe handel ik dan nog in een wereld die om keuzes vraagt?”
… Vraagt de wereld werkelijk om keuze, of vraagt een bewustzijn dat vanuit denkbeelden, vanuit het verleden — de ‘dode as’ — naar het Nu - de ‘levende vlam’ - kijkt? Is keuze niet al een teken van een geest die in verwarring verkeert? Wanneer je helder ziet wat is, handel je spontaan… dan is er actie en geen reactie… dan bén jij de ‘levende vlam’…
zien én weten... 09
Je was gaan liggen, in de namiddag, zonder reden, zonder noodzaak. Als je je ogen sloot, was er – volkomen onverwacht – ‘het Andere’: één eindeloze beweging van en in licht, in letterlijk beide betekenissen tegelijk. Ruimte en tijd waren weg, en daarmee ook je ‘ik’.
Je ‘ik’-wereldje bestaat alleen in tijd/ruimte – dat wil zeggen: in het denken. Ben je je daarvan werkelijk helder bewust?
Ben je bang voor de dood, dan weet je niet wat leven uiteindelijk is. Leven en dood zijn één beweging. Wanneer je werkelijk leeft, is de dood van ogenblik tot ogenblik voortdurend aanwezig; anders is het een ontkenning van het leven.
De dood is de stilte tussen de ogenblikken, de vlam die al het voorbije volledig wegvaagt zonder ook maar één spoor van as achter te laten. Hij – de dood – is net zo essentieel als de stilte tussen twee klanken in een volmaakte melodie. Je hoort die stilte niet, maar ze is absoluut noodzakelijk; zonder haar zijn er geen klanken, geen gevoel, geen liefde.
De stilte van de dood is niet ‘het Andere’, maar vloeit eruit voort, zoals alles uit haar voortkomt, in haar bloeit en sterft. ‘Het Andere’ is de stilte van een andere dimensie: de diepe, naamloze oerstilte waarin alles geboren wordt en beweegt in één absolute, ongescheiden en tijdloze stroom.
Alles wat we doen is zo oneindig klein, bijna betekenisloos en toch ‘moet’ het gedaan worden. Net zoals een waterdruppeltje met de rivier mee moet gaan om de rivier te zijn, moet alles levende meegaan met het Leven. Er is alleen één Leven. Weet je wat al-één-zijn is?
Het ene druppeltje… wat maakt het uit voor de rivier, denk je misschien, maar zonder het druppeltje is er geen rivier. Het meebewegen in absolute harmonie is het geheim, het mysterie, of hoe je het ook wilt noemen.
Is het dat stille, soms waarschijnlijk zelfs onbewuste heimwee naar ‘het Andere’ dat mensen maakt tot wie ze zijn? Bijna niemand ziet het, omdat het zo onschuldig en teder is en tegelijk overweldigend – net als het druppeltje in de rivier. Heb je daar werkelijk ooit eens met volle aandacht naar gekeken?
Maar wat zijn woorden? Net als symbolen en alles wat daaruit voortkomt, zijn ze volledig overbodig als ‘het Andere’ er is – werkelijk is.
“De geest kan overal naartoe” is een veelgehoord gezegde. Toch zien de meeste mensen over het hoofd dat ze daarmee uiteindelijk alleen het denken – het verstand is niet de hele geest – in al zijn onrustigheid en streven bedoelen. Wanneer het verstand zich afscheidt van de geest, zit het gevangen in zijn eigen gecreëerde gedachtenwereldje, opgebouwd uit de as van een voorbij verleden – dat alleen nog bestaat omdat het verstand de ware schoonheid van de dood ontkent. En het projecteert vanuit deze as een niet-bestaande illusie die het ‘toekomst’ noemt – die dan natuurlijk niets anders kan zijn dan een herhaling van het verleden in licht gewijzigde vorm.
Het denken – het verstand – is het druppeltje dat weigert mee te stromen met de rivier, dat aan de oever zijn bestaan lijdt en daar langzaam verdort.
Alleen als het verstand tot inzicht komt en werkelijk ziet én weet dat het hele ‘ik’-wereldje slechts een zelfgeschapen constructie is en daardoor zonder dwang absoluut stilvalt, is het één met de geest. Dan wil het nergens meer naartoe. Het is er allang.
Het lichaam lag ontspannen en uitgerust, omdat het verstand geen energie opeiste of verspilde.
zien én weten... 10
Tot in de namiddag van deze dag was het de afgelopen veertien dagen ononderbroken grijs weer geweest en had het bijna dagelijks geregend; opeens was er de zon en ze scheen van een strakblauwe hemel. Er dreven heel weinig grote, witte wolken. Ze leken op bergen met lichtgevulde toppen en het was een vreugde om naar al dit te kijken. De bomen, het grasveldje en de lange rij rododendronstruiken erachter met hun vele grote, kleurrijke bloemen schenen op te leven en dezelfde vreugde te voelen, net als de enkele zwartgrijze kraai die op het grasveld voedsel oppikte en zich verder niets van je aantrok. Op het pad lagen twee bloemen van de rododendron. Hun rode kleur was nog heel intens en ze leken nog vol leven; het zou niet lang duren voordat ze zouden verdorren. Je vroeg je af hoe ze op het pad waren beland. Je wist het niet. Je zag ze en voelde, leefde met ze mee in dit momentje van aandacht.
Meeleven, meevoelen met de mooie, dode bloem of de vrolijke kraai of de waardige boom – wat iets volledig anders is dan medelijden, dat altijd hand in hand gaat met sentiment voortkomend uit emotie geboren uit een denkbeeld dat de werkelijkheid ontkent – is de essentie van liefde én vrede én dood én leven. Het is zien én weten, zonder meer. Als er een van ontbreekt, sta je los van het geheel dat we leven noemen. Meeleven is aandacht hebben voor het geheel, niet voor een deel van het geheel. Meeleven alleen met je naaste en het tegelijk neerkijken op de vreemde, of onverschillig zijn tegenover de dode bloem, is de ontkenning van meeleven. Meeleven is absoluut, of helemaal niet bestaand. Meeleven betekent niet instemmen met een of andere mening, zienswijze, ideologie of wat dan ook, maar gewoon zien én weten van ‘wat is’, van de feiten, zonder meer. Het is zuivere voeling voor het leven.
Bij de vijver zat je op een van de nieuwe houten stoelen in de schaduw van de grote kastanje en keek over het water, naar al de pracht van het eilandje dat in de avondzon, in licht en ontelbare tinten groen, stil en vredig en vol leven was. Niets herinnerde aan de lange regentijd; ze was een dood en al lang vergeten verleden, ook al was ze pas een paar uurtjes geleden geëindigd. Ze was van geen betekenis meer omdat je er – net als al de natuur om je heen – geen betekenis, geen gedachte en geen emotie meer aan gaf. Je zat gewoon te kijken en na een tijdje had je het gevoel dat het gezang van de vogels luider en vrolijker was geworden en de kleuren intenser waren, en alles heel dicht bij je was – of, nauwkeuriger gezegd, er helemaal geen scheiding meer was. Jij was niet meer de waarnemer die naar iets keek, jij was de waarneming die zichzelf waarnam. … En als je wilde, kon je je afvragen of er echt buiten jou een verandering had plaatsgevonden, of dat je luisteren, zien en voelen nu van een heel andere kwaliteit was omdat je geest niet meer afgeleid en in beslag genomen was door het gekwetter van het denken, dat nu geen kringetjes meer draaide in zijn eigen gedachtenwereldje. Maar was dat echt een vraag? Is er echt een buiten en een binnen; een buitenwereld en een innerlijke wereld, of is dat alleen een denkbeeld van een in denken gevangen en dus onvrije geest? Al die gedachten waren er gelukkig niet… er was alleen de bruisende levendigheid van een absoluut lege geest… die zag én wist.
V: Stel je voor, ik kwam iemand tegen die zei dat je een gevaarlijke man bent, omdat je alles wat bestaand is wilt neerhalen. Hij gebruikte zelf het woord ‘vernietigen’.
N: Hij heeft gelijk. Wat we zeggen is heel gevaarlijk voor mensen die in illusies willen leven, die willen geloven in plaats van zien én weten. Zien én weten is de dood van geloven, wensen en hopen; van al die dingen die niets met werkelijkheid en waarheid te maken hebben.
Alleen met dat “willen” heeft hij het mis. We willen niemand overtuigen. Wat we wél doen, is opmerkzaam maken en iedereen uitnodigen dit alles zelf te verkennen en te onderzoeken. Wat hij of zij ermee doet, is aan diegene zelf.
V: ‘Het andere’… ik denk dat het goed is om daarmee te beginnen. Het is geen doel dat bereikt kan worden; er bestaat geen oefening of methode om het op te roepen. Maar ik vind het belangrijk om ook duidelijk te zeggen dat het niet iets mysterieus of geheimzinnigs is. Maar dan rijst natuurlijk meteen de vraag: wat is het uiteindelijk wél?
N: Precies, we beschrijven alleen ‘wat is’ – feiten dus, geen verbeeldingen. En we wijzen erop: de beschrijvingen zijn alleen maar woorden die naar iets wijzen; ze zijn nooit het beschrevene zelf. ‘Het andere’ is er als al het andere – alle ver-beeld-ingen – er niet zijn. Je kunt het ervaren, maar niet als een ervaring opslaan die je onder woorden kunt brengen. Het laat een spoor achter in je geheugen en brein, maar is voor het denken niet grijpbaar. Dat wil zeggen: het dient zich aan als het denken stilvalt; als er niets is dan de absolute stilte van een lege geest die in hoogste mate sensitief, alert en wakker is, maar helemaal niet bezig is met zichzelf. Anders gezegd: als het 'ik' er niet is en je dus één bent met alles.
In deze toestand registreert het brein rechtstreeks. Dat wil zeggen: zonder dat wat je waarneemt door de filter van het denken loopt en het denken er op die manier een — door ervaring en kennis uit het verleden — besmet en vervormd beeld van maakt. En precies daarom kan het denken het ook niet reproduceren. Het nieuwe, het onmetelijke is voor het denken niet vatbaar. Het meetbare kan het onmetelijke niet omvatten. Het onmetelijke kan het meetbare wél gebruiken.
Het denken werkt alleen vanuit en in beelden. Dat is zijn beperking, en dit ten volle, werkelijk beseffen is de cruciale stap die alles verandert. Daarom zeggen we ook dat de eerste stap de laatste stap is. Wanneer het denken absoluut beseft dat wat het zo graag wil bereiken niet te bereiken is, valt het stil en verkeert de geest in een heel andere dimensie.
Niemand kan je ernaartoe leiden. We kunnen er alleen op wijzen dat het bestaat; niet als een vaststaand iets, maar als iets dat zich voortdurend vernieuwt en voor het denken onbekend is.
V: Je kunt een ander het raam laten zien, maar hij moet het zelf schoonmaken en erdoorheen kijken om te zien.
N: Nee, hij moet het stukslaan. Zolang het raam er nog is, is er nog steeds verdeeldheid: het ‘ik’ dat naar iets kijkt. Zie je dit belangrijke verschil? De schoonheid van de vernietiging die liefde én dood én leven is? Ze zijn niet te scheiden. Als er één ontbreekt of ontkend wordt, is het niet gebeurd.
V: De totale vernietiging van het ‘ik’… ik geloof dat dit het cruciale punt is waar mensen bang voor zijn, waarom ze wat je zegt als gevaarlijk beschouwen. En volgens mij is er een belangrijke nuance die we duidelijk moeten maken: het fysieke ‘ik’ – het lichaam, het brein inclusief de geest – en het psychologische ‘ik’-beeld – het denken dat in het brein plaatsvindt, maar niet het brein of de geest zelf is.
N: Heel juist. Natuurlijk word je niet fysiek of lichamelijk één met alles – gelukkig maar niet. Alles draait om het diepe besef dat het ‘ik’-beeld het dode verleden is, een illusie van het denken die in stand gehouden wordt dóór het denken en op die manier verdeeldheid schept. Eenvoudig leven draait niet om het verloochenen van je bezit of je afsluiten van de samenleving in een klooster, maar om één-zijn met het leven, in het diepe besef van het feit dat er maar één leven bestaat waar je onlosmakelijk één mee bent. Niet verbonden – dat woord staat voor twee delen die samengevoegd worden – maar onlosmakelijk één-zijn.
Een tijdje geleden vroeg iemand me of het niet tekortschiet als ik zeg ‘je bent het leven’ en vroeg wat er dan is met de zon, de verre ster aan de avondhemel of het hele universum. Ik vroeg hem: ‘Meneer, ik zei “jij bent het leven”… houdt dit op zichzelf een begrenzing in? Of ontstaat de begrenzing pas door je denkbeeld, dat het leven probeert in te perken tot “leven op aarde” of wat dan ook? Maar leven, in zijn ware, diepste zin, is de totale beweging van het bestaan zelf. En deze beweging heeft noch grens, noch maat.’ Ik vertel het hier omdat het ons goed laat zien hoe vaag de grens is tussen werkelijk zien én weten, en het kijken vanuit een denkbeeld dat alleen maar gelooft te zien.
V: Met 'zien én weten' bedoel je het handelen vanuit intelligentie die ongespleten is en die van het intellect, het denken, alleen werktuiglijk gebruikmaakt. Volgens mij is het belangrijk om duidelijk te maken dat dit geen afwijzen, neerhalen of kleineren van het denken is.
N: Precies. We zeggen niet dat het goed of slecht is, we wijzen het ook helemaal niet af. Integendeel, we zien het als een briljant en belangrijk werktuig van de geest. Waar we wél heel duidelijk over zijn, is dat het helder zijn eigen werkwijze en functie moet beseffen, zodat de geest vrij en onbeperkt te werk kan gaan. In het Nu leven – dus met volledige aandacht aanwezig zijn – betekent niet dat je geen herinneringen meer hebt, maar dat de herinnering, kennis en ervaring het Nu niet overschaduwen; dat je helder ziet wat ís, vrij van het verleden.
V: Volgens mij is het uiteindelijke probleem van naar het Nu kijken door de ogen van het verleden niet eens puur de herinnering op zich, maar de daarmee verbonden of toegevoegde emotie. Het gebeuren is al lang voorbij, maar de emotie van destijds houd ik in leven.
N: Als kind wordt iemand door een hond gebeten en sindsdien roept het zien van welke hond dan ook de emotie op die destijds opgeslagen en nooit echt verwerkt is.
V: Dat is wat ik bedoelde, in de praktijk gebracht. Zich ervan volledig bewust worden is ervan vrij zijn. Je zei het zojuist: ‘helder zien wat is’. Volgens mij is dat ook de ware betekenis van helderziend, en niet de hele onzin die er deels van gemaakt wordt.
N: In de oorspronkelijke betekenis van het woord en de zin van hoe wij het hier gebruiken, is het precies zo. En misschien is het ook nog belangrijk om toe te voegen dat zien én weten niet tot een ‘alles is mooi, er bestaat geen kwaad’-bestaan leidt. Als dat gebeurt, is het een nieuw verhaaltje dat het denken zichzelf vertelt. Zien én weten is gewoon het helder zien van de feiten en deze duidelijk benoemen. Als je ziet dat het huis in brand staat, zeg je niet “de wereld is mooi, laat het maar branden”. Dan handel je en blus je de brand – op welke manier je maar kunt – en als je werkelijk helder ziet, blus je daadwerkelijk de wereld, omdat het huis dat in brand staat de wereld ís.
...
Iemand schreef…
“Terwijl ik dit allemaal lees, merk ik hoe hardnekkig mijn eigen denken toch blijft vragen.
“Hoe moet ik dit dan leven?”
“Hoe ziet dit eruit in mijn relatie, met mijn werk, met mijn kinderen?”
“Wat doe ik als het echt moeilijk wordt, als er pijn is of angst opkomt?”
En op het moment dat ik die vragen zie opkomen, besef ik plotseling: zolang deze vragen nog in me leven, heb ik het eigenlijk nog niet echt gezien.
Ik sta nog voor het raam.
Misschien poets ik het nu wat beter. Misschien vind ik het uitzicht mooier dan ooit. Maar ik sta nog binnen. Het glas is nog heel. De scheiding is er nog steeds.
De vragen zelf verraden me. Ze laten zien dat een deel van mij nog steeds probeert om dit inzicht te gebruiken, te integreren, veilig te maken, “toe te passen”. Alsof het een nieuw instrument is voor het ‘ik’ om beter te functioneren.
Er is geen brug.
Geen methode.
Geen zachte overgang.
Er is alleen het zien dat zelfs deze oprechte, serieuze vragen nog steeds voortkomen uit dat wat eigenlijk moet sterven — het ‘ik’ dat hoopt er iets mee te kunnen doen.
En als ik heel eerlijk ben… ergens ben ik nog bang om het raam kapot te slaan. Bang voor wat er dan overblijft. Bang voor de volledige consequentie.
Misschien is dat het enige dat er nu toe doet: die angst zien.
Zonder hem weg te willen duwen.
Zonder er een nieuwe zoektocht van te maken.
Zonder hoop dat het snel overgaat.
Gewoon kijken.
Hier. Nu.”