ontmoetingen... 23
De meeste bomen waren nog verrassend groen voor de tijd van het jaar, hoewel de herfst al voelbaar in de lucht hing. De nalatende kracht van de kleuren verraadde het seizoen; zelfs in het prachtige licht van de middagzon misten ze hun zomerse intensiteit en tekenden de eerste gele en bruine bladeren zich duidelijk af. Het was behaaglijk warm en op je heerlijke plekje in de grote uitkijkhut had je het gezellig naar je zin. Je sloeg het uit een immense stilte voortkomende, zich voortdurend vernieuwende spel van licht, kleuren en snel bewegende wolken gade. Het waarnemen ging gepaard met ware vreugde — vreugde, zonder meer… vreugde heeft in tegenstelling tot genot of plezier geen speciale oorzaak nodig; vreugde komt niet voort uit bevrediging van verlangen of begeerte, maar simpelweg uit het ‘zijn’.
In deze stilte was alles opgenomen: het gekwetter van de vogels dat luider en vrolijker werd met de toenemende intensiteit van de zon, de zacht waaiende wind en zelfs de weinige gedachten die opwelden wanneer de waarnemer de pure waarneming even verstoorde, en zelfs de voetstappen van de vrouw op de trap, die even later op een van de bankjes naast je plaatsnam.
Op het moment dat je dit schrijft, ben je je er helder van bewust dat de beschrijving nooit datgene is wat zij beschrijft, waarop ze wijst.
Woorden kunnen de werkelijkheid nooit volledig overbrengen, omdat er tijd en denken nodig zijn om ze te vormen — de waarnemer die het verleden is en die zich de waarneming herinnert…
En je bent erg blij dat op het moment dat je zojuist beschreef, de waarnemer – het ‘ik’-bewustzijn – bijna niet aanwezig was... maar slechts waarneming; een staat van zijn… alleen zijn in de diepste zin van het woord: al-één-zijn...
De vrouw zat een tijdje roerloos voor zich uit te staren, maar haar onbeweeglijkheid was schijn; je voelde haar innerlijke onrust. Zonder haar aan te kijken, wist je dat zij elders was, verstrikt in haar eigen gedachten.
Plotseling verbrak zij de stilte: ‘Meneer, mag ik u iets vragen? … Voor mij lijkt het alsof u volkomen rustig bent en gewoon geniet van het prachtige uitzicht. Ik zou zelf ook graag die rust willen hebben. Mijn kuurarts – u bent waarschijnlijk ook hier op kuur? – heeft me aangeraden hierheen te gaan om rust te vinden. Maar hoe hard ik ook mijn best doe, het lukt me niet.’
‘Ik woon hier in de buurt en ik wandel hier vaak. Het is hier prachtig, vindt u niet? Heeft u al eens goed naar al deze schoonheid gekeken? Echt gekeken, zonder uw verlangen naar rust?’
‘Zonder mijn verlangen naar rust? Hoe bedoelt u dat?’ vroeg ze verbaasd. ‘Zo heb ik het nog nooit bekeken.’
‘Als ik mag opmerken, is de rust die u zoekt slechts een uiterlijke verschijning. Voordat u die kunt ervaren, moet u innerlijk stil zijn.’
‘Zijn rust en stilte niet woorden die een en hetzelfde uitdrukken?’
‘Het gaat erom welke betekenis we aan woorden geven, toch? … Wat ik ermee wil zeggen, is dat u geen innerlijke rust buiten uzelf kunt vinden. De hoop dat een rustige plek u rust geeft, is een illusie. Zolang u innerlijk niet stil bent, zolang u voortdurend in dialoog bent met uzelf — met uw gedachten, uw angsten en uw dwingende verlangen naar rust — is dit onmogelijk.’
‘Mijn arts gaf me geen verdere instructies,’ zei ze bijna vertwijfeld. ‘Hij meent dat de natuur haar werk wel zal doen. Heeft u misschien een advies voor mij?’
‘Deze prachtige plek opzoeken – waar er geen uiterlijke afleiding is – is zeker een goed idee. Nu moet nog de innerlijke onrust verdwijnen door haar gewoon de ruimte te geven om te zijn. En dat is zeker geen kwestie van een methode of oefening. Elke methode vereist immers concentratie, en elke vorm van concentratie staat uw volledige aandacht in het ‘Nu’ juist in de weg.’
‘Maar wat moet ik dan doen?’
‘Eenvoudigweg aandacht hebben voor ‘wat is’. Alert zijn en volledige aandacht schenken aan wat er om u heen en in uzelf gebeurt. En heel belangrijk: zonder enige verwachting en zonder oordeel. Volledig aanwezig zijn in het moment, in het ‘Nu’.’
‘Concentratie op het moment!? … maar dan voel ik alleen maar mijn onrust en mijn machteloosheid om die te veranderen.’
‘Als ik erop mag wijzen: concentratie is iets heel anders dan aandacht. Concentratie creëert een verwachting van hoe het zou moeten zijn, terwijl aandacht de pure, onvervalste waarneming is van ‘wat is’.’
‘U bent erg nauwkeurig met de betekenis van woorden. … Maar ja, ik begin nu langzaam het belang daarvan in te zien. … Maar het is niet eenvoudig om naar jezelf te kijken zonder iets te willen veranderen, zonder te oordelen!? Dat zijn we niet gewend, lijkt mij.’
‘Dat is zeker waar. Misschien wilt u het toch eens een kans geven.’
‘En het bewust voelen van de onrust hoort daar waarschijnlijk bij? Het betekent dat ik stop met het onderdrukken van de onrust… een ongewone gedachte. … Ik heb het nog nooit zo bekeken…’, zei ze, meer tegen zichzelf.
‘Ik hoop dat u het me niet kwalijk neemt dat ik het zo direct zeg, maar die onrust is wat u op dit moment bént, toch? Als u die onrust veroordeelt, veroordeelt u uzelf. Zo kan het innerlijke conflict nooit eindigen. Ziet u dat? Kijk gewoon wat de onrust u te vertellen heeft wanneer zij er mag zijn.’
‘Helaas heeft u gelijk. … Kunt u me nog iets meer vertellen over die stilte die men in zichzelf moet zoeken?’
‘Zoek er niet naar; wie zoekt, zal haar niet vinden. De stilte is er wanneer u aandachtig waarneemt wat is en er zo een einde komt aan de verdeeldheid tussen ‘wat is’ — uw onrust — en wat u wenst dat er zou zijn — de rust. … In die staat van aandacht ziet u alles zoals het is. En misschien ontdekt u dan iets wonderbaarlijks: de rust waarnaar u zo verlangt.’
‘Dat klinkt bijna te mooi… Kunt u daar meer over vertellen?’
‘Nee, dat zou helemaal verkeerd zijn. U moet het zelf ontdekken…
Ik wens u een fijne dag. Blijf nog even zitten. Zit gewoon stil, zonder in gesprek te gaan met uw gedachten.’
Je wandelde rustig naar huis, met open ogen voor alles langs de weg. Toen je de sleutel al in de hand hield op de galerij voor je appartement, viel je blik onverwacht op een grote, mooie vogel in zijn vlucht. Zijn naam doet er niet toe; namen roepen onvermijdelijk beelden op die de werkelijkheid versluieren. Spontaan en gefascineerd bleef je zijn vlucht gadeslaan. Een tweede vogel verscheen in je gezichtsveld… Het vervulde je met vreugde om de schoonheid en waardigheid van hun levendige en eenvoudige staat van zijn te aanschouwen. Je volgde hun vlucht totdat ze achter de horizon verdwenen…
Zien én handelen vanuit stilte is één… volledig onverdeeld… zonder dat denken en tijd ertussen komen en de handeling besmetten met ervaringen uit het verleden.
Deze stilte komt niet tot stand door de afwezigheid van geluid; zij is de onmetelijke ruimte die alles omvat ‘wat is’…