zien én weten... 05

 

 

 

Een lentedag vol pracht en glorie; de eerste van dit jaar. Staande op het kleine maar stevige houten bruggetje, omgeven door in de zon opbloeiende bomen en struiken, luisterde je naar het kabbelen van het riviertje en het gezang en getjilp van waarschijnlijk duizenden vogels die de warmte verwelkomden. Je keek heel aandachtig naar alles om je heen en voelde de zon op je gezicht terwijl je je blik langs de blauwe lucht liet dwalen. De lange, koude en natte winter — hoewel die die ochtend nog voelbaar was — voelde nu al als ververleden tijd en vergeten. Elk levend schepsel was blij met wat er was en bloeide op; zelfs de meeste mensen die je op het wandelpad was tegengekomen.

 

Op dit bruggetje was je werkelijk alleen in de ware betekenis van dit woord: al-één-zijn. En dat was zo omdat ‘jij’ er helemaal niet was; tenminste, niet dat wat we gewoonlijk bedoelen als we over onszelf spreken: je ik, je ego, je bewustzijn.

 

Bewustzijn… wat is dat eigenlijk? Het is het denken dat via het verleden — kennis, ervaring, herinneringen — de werkelijkheid die via de zintuigen binnenkomt, vergelijkt, beoordeelt en vertaalt naar een realiteit. Op die manier ontstaat verdeeldheid. Als je zo naar een boom kijkt en denkt: 'die is mooi', dan wordt dat 'mooi' een vergelijking of een oordeel ten opzichte van een beeld in je hoofd. Dat creëert wanorde. Het is cruciaal om te begrijpen dat dit volledig losstaat van de vraag of het oordeel positief of negatief is.

 

Wanorde is simpelweg de afwezigheid van orde, niet het tegenovergestelde ervan. Orde is geen toestand die je kunt bereiken of iets waaraan je moet voldoen; het is het zien van elk deel in het geheel, precies zoals het is, zonder enige weerstand. Wanneer je dit volledig beseft, zie je dat de wil om orde te scheppen, de drang om iets te bereiken of het verlangen om iets te veranderen, juist al wanorde ís.

 

Handelen vanuit orde verschilt totaal van reageren vanuit wanorde. Handelen vanuit orde is zien én weten én handelen in één, in zich gesloten beweging. Reageren vanuit wanorde voltrekt zich in stappen: zien — oordelen — plannen — de planning uitvoeren.

 

Het is van het hoogste belang de werking van het bewustzijn in zijn totaliteit te beseffen, want dan zie én weet je dat een 'hoger' of 'lager' bewustzijn, of het onderscheid tussen collectief en persoonlijk bewustzijn, louter bedenksels van het bewustzijn zelf zijn. Natuurlijk zijn er verschillende lagen — wat we meestal het onderbewuste noemen — maar in feite is het bewustzijn voortdurend in zijn geheel in werking. Het bepaalt ons doen en laten, althans zolang we onaandachtig zijn; dat wil zeggen: zolang we niet elke gedachte, emotie en elk gevoel waarnemen en de volle ruimte geven.

 

Het bewustzijn is zijn inhoud. Daarom kun je via het bewustzijn het andere — de staat van bewust zijn — nooit bereiken. Je kunt er voortdurend iets aan toevoegen, meer kennis of ervaring, maar dat is slechts het vullen van de kamer, niet het verlaten ervan. De 'kamer' verlaten is alleen mogelijk via besef en inzicht in het geheel. Dat is uitsluitend mogelijk door aandachtige observatie van 'wat is', zonder meer — zonder doel, zonder ook maar het geringste verlangen of streven naar resultaat. Op die manier waarnemen is zien én weten, en dat is de handeling die alles verandert. Het is de handeling zonder weg, zelfs zonder weg terug. Zolang je blijft vragen: 'wat is er dan?', ben je er niet, en blijft het onmogelijk om er werkelijk te zijn.

 

 

Je was verder gelopen langs het rustig kabbelende riviertje, luisterend naar een ijsvogel. Bijna was je in de val van het willen en streven getrapt, omdat je de ijsvogel zo graag wilde zien. Maar 'wat is' laat zich niet dwingen. Concentratie op iets bepaalds is de vernietiging van ware – altijd onverdeelde – aandacht; maar het mooie is: zodra je dat opmerkt, is er alweer aandacht. Zie je het? Aandacht betekent absoluut en bewust in het 'Nu' zijn, en dat is leven.

 

Nu zat je op een dode boom bij een kruising van wandelpaden midden in het kleine bos en keek je door de toppen van de bomen recht in de zon, die vanaf een strakblauwe hemel op je neerkeek. Nadat je alles om je heen goed in je had opgenomen, sloot je je ogen. Opeens hoorde je zwaar hijgende geluiden. Toen je keek, zag je in het prachtige zonlicht een grote, waarschijnlijk al wat oudere hond moeizaam in je richting lopen. Hij kwam je even dag zeggen en keek je heel vriendelijk aan. Er was meteen een band en hij wachtte bij je tot zijn baasje naderde. Zij verontschuldigde zich dat haar hond je lastigviel en zei dat hij veel moeite had met zijn ademhaling. Je antwoordde: 'Dat is dan zo.' Ze keek geïrriteerd, bijna een beetje boos, en liep meteen verder. Haar hond bleef nog even; voor hem waren je onbedacht gekozen woorden geen enkel probleem. Hij was aanwezig met zijn hele intelligentie; hij had zichzelf niet gereduceerd tot louter zijn intellect, zoals zijn baasje. Dit is geen verwijt aan die vrouw, maar een nuchtere observatie. Zij staat hier slechts symbool voor de overgrote meerderheid van de mensen die een deel — het intellect — tot meester over het geheel hebben gemaakt, in plaats van het intellect slechts zijn juiste en evenwichtige plek toe te kennen.

 

V (V staat niet voor een bepaald persoon, maar voor vraagsteller of vriend, wat in essentie hetzelfde is omdat je een vraag niet samen serieus kunt onderzoeken als er geen zekere mate van genegenheid is) vroeg, een paar dagen na het gesprek over wat de samenleving uiteindelijk is: ‘Als ik dit alles met mijn hele wezen "ben", hoe verhoud ik me dan tot, of communiceer ik met de maatschappij die nog steeds vanuit maskers en geweld opereert? Moet ik me terugtrekken of juist midden in de chaos staan?’ Niet onbeleefd bedoeld, maar heel nuchter en eerlijk gezegd: als je deze vraag stelt, 'ben' je het niet. Als je beseft dat jij en de samenleving — of veel juister en belangrijker: het leven — één zijn, dan handel je gewoon vanuit die staat van zijn. Je kunt je niet terugtrekken uit wat je bent. Leven betekent 'in relatie staan'. Als je beseft dat je onlosmakelijk deel van het leven bent, begrijp je dat alles wat je doet, of je je nu terugtrekt in afzondering of niet, invloed heeft op het geheel. Dan besef je dat 'in relatie staan' niet te reduceren is tot je verhouding met medemensen; of je nu met weinigen of zelfs met niemand omgaat, is van weinig betekenis. Je staat net zozeer in relatie tot de voorbijganger als tot de boom, de vlieg, de lucht of de regendruppel op je raam, en — heel belangrijk — tot je eigen gedachten, emoties en gevoelens. Elk deel is een onlosmakelijk onderdeel van het geheel; als een deel verandert, verandert het geheel. Als je naar de letterlijke betekenis van het woord relatie kijkt, wordt dat heel helder: ‘het ene dat naar het andere verwijst’ of ‘in verhouding tot elkaar’.

Paradoxaal genoeg heeft het denken — het bewustzijn — de werkelijkheid en waarheid van dit belangrijke woord vertaald op basis van zijn in verdeeldheid verkerende realiteit: het maken van een verbinding tussen twee losse dingen, het ene individu met het andere verbinden. Maar er is slechts één levend geheel en er zijn helemaal geen individuen. 'Individu' betekent letterlijk ‘on-deel-baar’. Toch kan de mens feitelijk helemaal niet op zichzelf bestaan en is hij dus geen afgescheiden individu, maar een deel van het geheel dat we leven noemen.

 

Als je dit alles goed volgt, zie je dat er geen echte communicatie tussen mensen kan plaatsvinden zolang zij een bestaan leiden in door het bewustzijn gecreëerde denkbeelden — of is het nauwkeuriger, bijna juister om te zeggen: een bestaan lijden? Er staan dan immers denkbeelden tegenover elkaar en geen levende wezens. Van communicatie — letterlijk: gemeenschappelijk, delen met anderen — is uiteindelijk helemaal geen sprake, evenmin als van een echte relatie. Dat klinkt tegenstrijdig, aangezien we zeiden dat leven 'in relatie staan' betekent, maar vraag je eens af: is er sprake van werkelijk leven als we vanuit dode denkbeelden op elkaar reageren? Het leven is Nu; je kunt het niet ontmoeten in een dood verleden of een niet-bestaande toekomst, de schuilplaatsen van alle ideologieën, theorieën, concepten, enzovoort.

 

Waarom vraag je ‘hoe verhoud ik me dan?’ Zie je niet dat dit een verkeerde vraag is die alleen weer naar een nieuw denkbeeld vraagt en niets te maken heeft met het ‘Nu’, het leven? Zien, zonder meer, is de enige handeling die belangrijk is en die alles verandert. Wil je eigenlijk werkelijk veranderen – heb je daar echt eens bij stilgestaan – of is het lezen van dit alles gewoon een vorm van tijdverdrijf, nieuwsgierigheid in een zogenaamde filosofie of iets dergelijks? Je vraagt ‘wat moet ik doen'; begin toch met die vraag, onderzoek het nu meteen. Of kijk naar de boom voor je raam. Zie je de boom echt — met volledige, ongespleten aandacht — of komt er meteen het woord 'boom' of de soortnaam in je op? Als het woord – en daarmee het beeld – er is, zie je de boom, of waar je ook naar kijkt, niet werkelijk. Zie je ooit je vrouw, vriendin, man of kind werkelijk, met je hele wezen? Met je hele wezen zien is veel meer dan alleen kijken met je ogen; het betekent waarnemen met al je zintuigen, al je energie onvoorwaardelijk aan het Nu geven. Begin toch gewoon met de eerste stap — met volle aandacht zien wat is — en niet met een onbezonnen vraag die je alleen maar wegleidt uit het Nu, de werkelijkheid, het leven.