ontmoetingen... 20

 

 

Vanaf de vroege middag heerste er prachtig herfstweer; de zon scheen uitbundig, er woei slechts een lichte bries en witte wolken dreven loom door de strakblauwe lucht. Af en toe verscheen er een grijzere wolk, en zodra die voor de zon schoof, was het een ware vreugde om naar dit mooie spel van licht en kleur te kijken.
Het was de eerste keer dat je deze route door de oude heuvels bewandelde. Iemand had je de tocht aangeraden en geadviseerd bij de herberg te starten, maar zodra je uit de auto stapte, volgde je intuïtief – zonder na te denken – het bospad. De vraag of je een jas nodig had of het dak van de auto open kon blijven, kwam niet eens in je op… zien, voelen, handelen waren één beweging…

Al na een paar stappen had je nieuwe vrienden gemaakt: de bomen verwelkomden je als een oude bekende. Je werd onmiddellijk opgenomen in de stilte van het woud; het was niet van belang dat vlak achter je een stel luidruchtig kletste over een aanstaande reis. Je merkte het op, meer niet. Je bleef even staan om aandachtig naar al de pracht om je heen te kijken en zij liepen voorbij, gevangen in hun eigen woorden. Toen je even later verder liep, waren ze al uit het zicht verdwenen. In de verte wandelde een ouder echtpaar met hun hondje; je zag dat zij werkelijk samen waren en intens genoten van de tocht. Later zag je hen gezellig op een bankje rusten. Toen je later zelf bij een oude boom op een bankje zat en uitkeek over de heide en de heuvels, zag je hen voor het laatst. Het hondje wilde even bij je komen zitten, maar zijn baasjes riepen hem zachtjes terug, glimlachten, zwaaiden en liepen door… ze waren vriendelijk naar iedereen, maar gunden iedereen ook zijn eigen ruimte.

 

Twee keer zag je grote kudden schapen. De tweede kudde graasde pal langs het wandelpad, waardoor je de dieren van heel dichtbij kon gadeslaan. Het was mooi om te zien hoe tevreden ze waren. Ze waren allemaal de hele tijd druk aan het eten. Slechts enkelen keken nieuwsgierig op naar de man die daar stond en alles aandachtig gadesloeg. Diverse wandelaars passeerden; sommigen wierpen een blik, anderen schenen de kudde niet eens op te merken. Alleen een tengere man van middelbare leeftijd in versleten kleding bleef een eindje verderop staan; hij oogde aandachtig, maar tegelijkertijd verzonken in gedachten.
Er reed een auto voorbij. Op de achterbank waren twee kinderen druk met elkaar in de weer, blind voor de wereld buiten. De vrouw aan het stuur staarde star voor zich uit.

 

Plotseling stapte de man op je af en zei: ‘Is het niet mooi om te zien hoe eenvoudig en gelukkig die schapen leven? Dat is de mens niet gegeven; er is altijd wel iemand die het voor de rest verpest, iemand die de vrede verstoort. Het is tragisch, vind je niet?’


‘Is dat zo?’ vroeg je. ‘Hier, op dit moment, verstoort toch niemand onze rust en vrede, tenzij wij dat zelf doen?’


‘Ja, hier is het mooi en vredig,’ antwoordde hij, ‘maar de wereld staat niet stil. Elke dag gebeurt er wel iets verschrikkelijks, hier in ons landje en nog erger in de rest van de wereld… lees je de krant niet, of negeer je gewoon al het kwade en het geweld?’


‘Nee,’ zei je kalm, ‘maar je vernietigt je eigen vrede wanneer je de wereld beschouwt met ogen vol weerstand, met gedachten vol oordelen en idealen. Vrede ontstaat niet door te vechten tegen ‘wat is’, maar door te zien ‘wat is’, zonder het af te wijzen of goed te keuren.’


‘Maar je gaat me toch niet vertellen dat je het goed vindt als vijftienjarigen met wapens rondlopen en mensen bedreigen, zoals deze week gebeurde?’


‘En dat zij vervolgens door de politie worden doodgeschoten… Ik zeg niet dat ik het goedkeur; ik zeg dat we innerlijke vrede slechts kunnen vinden als we zien wat er werkelijk gebeurt – zonder te oordelen of te vergelijken. Dat wil zeggen: de feiten zien, de werkelijkheid zoals ze is. Alleen innerlijke vrede kan bijdragen tot vrede in de wereld. Het vlammetje van mededogen nestelt zich alleen in een vrije en vredige geest die niet langer oordelend denkt en handelt vanuit een ideaal over hoe de wereld zou moeten zijn. Dan kun je misschien met mededogen kijken naar de jongen én de politieagent die hem heeft gedood.’

 

De man schudde zijn hoofd. ‘Ik denk dat zolang we politici hebben die zich niet eens collectief uitspreken tegen geweld, wij gewone mensen niet veel kunnen veranderen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geschokt was dat zelfs christelijke partijen zich verzetten tegen een motie om alle geweld te veroordelen... waarschijnlijk alleen omdat die door een rechtse partij was ingediend... maar bij zo'n onderwerp moet je toch samenwerken?’


‘Elke politicus en elke partij gedijt bij het in stand houden van problemen en conflict,’ antwoordde je. ‘Ze definiëren zichzelf door waar ze tegen zijn. Zo verzetten ze zich constant tegen ‘wat is’ – is dat verzet op zichzelf niet al een daad van geweld?’


‘Eerlijk gezegd heb ik het nooit vanuit dit perspectief bekeken. … Maar als ik er zo over nadenk, is het geen wonder dat de wereld op de rand van een grote oorlog staat. Jammer genoeg. … Iedereen zou goed moeten nadenken over aan welke kant hij staat. … Ik wil absoluut niet stemmen op een partij die ons meesleurt in een oorlog.’


‘Dan kun je op geen enkele partij stemmen,’ zei je. ‘Zij willen alle meer investeren in wapentuig; dus geen enkele partij is onvoorwaardelijk vóór vrede.’


‘Zo kun je het niet bekijken. Er is een groot verschil tussen ingrijpen in een oorlog en investeren in verdediging.’


‘Kijk naar die jongen en de agent… beiden kozen voor een wapen. Eén is gedood, de ander is zijn moordenaar. Twee verwoeste levens. Of kan een mens werkelijk gewoon verder leven met de last van het uitroeien van een mensenleven? En zo ja, wat voor mens ben je dan?’


‘Je maakt het me niet makkelijk. Maar wat doe jij als je wordt aangevallen, of als de vijand voor onze deur staat?’


‘Waarom stel je je deze theoretische vraag? Creëert de vraag niet al een denkbeeld en angst, wat dan tot verdeeldheid, tot conflict leidt? … 

En misschien zou je eens over het volgende nadenken: je kunt één vijand doden, of misschien een miljoen… maar je kunt ze nooit allemaal doden. Met elke gedode vijand zaai je de kiem voor een nieuwe. Mensen beweren dat ze oorlog voeren voor de toekomst van hun kinderen, maar ze beseffen niet dat zij met elke vermoorde zogenaamde vijand de haat voeden die de vijand van hun kinderen zal voortbrengen… Verandering is pas mogelijk wanneer de mens dit met zijn hele wezen ziet én weet en stopt met het “wij-tegen-zij”-denken. Wanneer de mens tot het inzicht komt dat de wereld één ondeelbaar leven is… niet mijn leven of jouw leven, maar gewoon één Leven...’


‘Ik weet niet of dat ooit haalbaar is,’ verzuchtte hij. ‘Er zal altijd wel iemand naar de wapens grijpen.’


‘Jij bent de wereld,’ zei je, ‘net zoals ik en iedereen de wereld is. Dus de enige vraag is: wat doe jij? Een mens moet een licht voor zichzelf zijn en niemand volgen. Helemaal niemand, hoe fraai hun woorden ook mogen klinken.’

 

De man liep verder; je zag dat hij verzonken was in zijn eigen gedachten. Je keek hem na en wenste hem in stilte het beste. Je wilde hem bijna naroepen: ‘Denk niet te veel… als je werkelijk hebt geluisterd, is er al iets gebeurd. Inzicht is nu of nooit… het laat zich niet vinden op de vertrouwde paden van het denken.’

 

 

De schapen graasden onverstoorbaar verder, zij aan zij. Het maakte hen niet uit of de ander een zwarte of een witte kop had… zij leefden in en voor het enige momentje dat ooit bestaat: het ‘Nu’, het leven…