zien én weten... 04
Iets trok je aandacht en je keek naar de top van de grootste boom die dicht bij de oever van de vijver staat. Hoog boven zag je, in het vreemde licht van de lentezon, een grote, slanke, zwarte vogel kaarsrecht en bewegingsloos zitten. Hij was zeer waardig en je wist meteen wat het was dat je aandacht trok: zijn gebundelde energie die op geen enkele manier versnipperd was. Hij was één met alles wat er was. Alleen de mens is bijna nooit volledig aanwezig in het ‘Nu’ en dus nooit één met alles — met het geheel van wat werkelijk is. Hij heeft denkbeelden over van alles en nog wat, maar een denkbeeld is slechts een projectie van een dood verleden naar een toekomst die nooit zal bestaan. De mens leeft in concepten, conclusies en illusies; je zou zelfs kunnen zeggen dat hij helemaal niet leeft, omdat leven volledige aanwezigheid in het ‘Nu’ vergt.
Kun je dat alles zien — zonder goed- of afkeuring, zonder de verleiding er iets aan te veranderen — en simpelweg zien wat is, het feit? Om het geheel in zijn totaliteit te kunnen zien, moet je de juiste positie innemen, net als de vogel op zijn hoge tak die voortdurend alles alert waarneemt en in een flits vanuit het ‘Nu’ handelt als dat nodig is.
Als je je te sterk op een deel van het geheel focust, ga je je ermee identificeren. Die identificatie met iets specifieks is de wortel van verdeeldheid, van ‘wij tegen zij’-denken en daarmee van conflict. Als je je echter te ver van het geheel verwijdert, beland je in theorieën en waanvoorstellingen over ‘hoe het zou moeten zijn’ — zaken die niets te maken hebben met de werkelijkheid, met het leven.
‘Niets zijn’ betekent letterlijk ‘niet iets’ zijn; dat wil zeggen: geen ding zijn en geen identificaties hebben. Het is het louter zien van wat is, zonder oordeel en zonder vergelijking, omdat oordelen en vergelijken altijd gebaseerd zijn op kennis — en kennis is per definitie beperkt en oud. ‘Nieuwe kennis’ is een illusie; alle kennis berust immers op denken en tijd, en behoort dus tot het verleden. Het nieuwe ís het leven; zodra je het als kennis archiveert, maak je er een dood ding van.
Later op een bankje laat je de verkenning van de ochtend de revue passeren. Iemand had een mailtje gestuurd: ‘Als ik goed over je teksten nadenk, zie ik dat de beroepen van militair en politicus tegen de mens gericht zijn en een schande voor de maatschappij; ik zou die van de jurist en politiebeambte daar nog aan toe willen voegen. Ben je het daarmee eens?’
Je had voorgesteld dit onderwerp samen te verkennen — niet de vraag of je het ermee eens bent, die op zich betekenisloos is, maar de essentie van de stelling.
‘Waarschijnlijk doelde de vraagsteller op de gemeenschappelijke factor: het uitoefenen van macht over anderen. Het verschuilen in een uniform of achter een positie maakt de daad onpersoonlijk, omdat het uniform of de positie bewust of onbewust als masker wordt gebruikt.’
Staat de soldaat, de politicus of wie dan ook in die positie werkelijk los van de mens, van het menselijke wezen dat hij of zij is? En is machtsuitoefening beperkt tot deze beroepen? Is de interne opsplitsing tussen beroep en mens niet louter denkwerk, net zoals we de mensen die deze beroepen uitoefenen los van de maatschappij bekijken? Zijn ze geen deel van de samenleving, en wat is de maatschappij uiteindelijk?
‘Terwijl ik naar de vragen luisterde, kwam het begrip bewindspersoon in mij op — de regerende mens in zijn functie. Hier hanteren we officieel het begrip "persoon", en als we naar de oorsprong van dit woord kijken, betekent dit letterlijk: masker of toneelrol. De mens speelt als persoon een rol of draagt een masker; hij of zij ís dat niet echt. Hetzelfde geldt voor een uniform: de soldaat of politieagent "trekt letterlijk zijn functie aan" en gebruikt deze als rechtvaardiging dat zijn handelen losstaat van hem als mens.’
Hij of zij maakt zich tot iets, tot een ding. Kan een ding liefhebben of mededogen voelen? Kan een mens die vanuit zijn functie mensen doodt — of uit plezier voor de jacht leeuwen of vossen vermoordt of de natuur vernietigt — naar huis gaan en een liefhebbende vader zijn? Of is het volkomen logisch dat hij zijn verdraaide wereldbeeld doorgeeft aan zijn kind? Voedt hij het kind niet op vanuit zijn ideologie, vanuit de illusie dat je in je functie iemand anders bent dan de man die thuis zijn kind opvoedt? Heeft het verkeren in denkbeelden het menselijke wezen in hem niet al lang gedood? Is wat dan rondloopt niet allang alleen nog de "persoon" in de letterlijke betekenis: een rol, een masker?
Ik beweer het niet, ik vraag het alleen en stel het ter discussie.
Misschien is er een verschil tussen het masker van de functie en het masker van de echtgenoot, de vader, de minnaar of de buurman. Druist het dragen van een masker en het spelen van een rol niet volledig in tegen het natuurlijke leven?
‘Je vraagt je af of de mens die zich met een functie of een andere rol identificeert, nog wel een levend wezen is. Of wisselt hij of zij alleen nog van de ene naar de andere rol als een toneelspeler, zonder echte identiteit?’
Ik zie het feit dat hij in zijn functie leeft in een realiteit en niet in de werkelijkheid. Hij kan de waarheid ervan niet meer beseffen, omdat voor hem de rol — de zelfgeënsceneerde realiteit — werkelijkheid en waarheid is. Bijgevolg reageert hij op wat is (de werkelijkheid) vanuit de denkbeelden van zijn zelfgeschapen realiteit. Van werkelijk handelen — zien wat is én handelen in één beweging — is nooit sprake. Zijn hele doen en laten is een reactie om de werkelijkheid aan te passen aan zijn eigen realiteit: zijn illusies en denkbeelden. Hij is voortdurend in verzet tegen de werkelijkheid, en dus tegen het leven. Volledig ongeacht of hij nu in functie is of thuis.
‘Als we daarop doorgaan: dan is het niet voldoende om alleen de werkelijkheid te zien, dan is werkelijke verandering pas mogelijk als ik besef dat de realiteit waarin ik verkeer — persoonlijk en collectief — een illusie is?’
Het perspectief van waaruit je kijkt is cruciaal. Zolang je de realiteit als standpunt inneemt, is het zien van de werkelijkheid onvoldoende; het roept dan alleen weerstand op omdat die werkelijkheid tegen de realiteit indruist. Pas als je jouw realiteit in vraag begint te stellen en je denkbeelden in twijfel trekt, verliezen ze hun grip. Ze verliezen hun masker en je herkent ze voor wat ze zijn: niet feitelijk, irreëel, idealistisch.
Dit wordt misschien meer duidelijk aan de hand van een voorbeeld. Ik sprak onlangs iemand die veganist is en nu plant — tegenwoordig wordt waarschijnlijk helemaal alles gepland — om kinderen op de wereld te zetten. Hij plant nu al dat zijn kinderen ook veganist moeten worden. Iemand in zijn omgeving stelde dat hij hen hiermee geweld aandoet omdat het onnatuurlijk is. De man was echter van mening dat het óók dwang is als je een kind niet-veganistisch opvoedt. Op mijn vraag waar het verschil ligt — aangezien ze in essentie beiden voorstander zijn van een gewelddadige opvoeding — werd hij boos en somde hij alle pluspunten van het veganisme op. Hij zag niet dat er een derde optie is: het kind in vrijheid laten ontdekken wat juist is.
De mens — in het algemeen — komt niet verder dan het kiezen van een kant, niet begrijpend dat waar keuze is, geen vrijheid bestaat. Het woord "keuzevrijheid" is een waanidee van een verwrongen geest die in onvrijheid verkeert. Zo’n geest is gevangen en uitsluitend geïnteresseerd in meningen en conclusies, niet in feiten. Voor zijn mening voert hij oorlogen en verwoest hij de wereld en zichzelf; voor de feiten sluit hij zijn ogen.
‘Wat je wilt laten zien, is dat geweld heel diep geworteld is in de mens en de hele samenleving, nietwaar? Dat werpt de vraag op of de mens van nature gewelddadig is, misschien een erfenis van het dier.’
Het is een feit dat de mens altijd gewelddadig heeft geleefd, maar het geweld van de mens verschilt wezenlijk van het geweld van het dier. Een dier gebruikt geweld alleen als het niet anders kan, uit noodzaak om te eten of bij direct gevaar. Geen dier op aarde doodt uit plezier of uit berekening. Dierlijk geweld is puur functioneel, een biologische noodzaak. Menselijk geweld is psychologisch; het komt voort uit denkbeelden en ideologieën die dan bijna dwangmatig verdedigd moeten worden. Dit leidt tot haat tegen degenen die een ander denkbeeld hebben.
De oorzaak van dit levensminachtende geweld is dus niet natuurlijk, maar een product van duizenden jaren geestelijke conditionering. We geven dit van generatie op generatie door onder mooie woorden als "traditie" en "religie". De enkeling leeft in de illusie een individu te zijn met een eigen brein en eigen gedachten, maar in feite is dat niet zo. Het fysieke brein mag dan van de enkeling zijn, maar het denken is dat niet. Het is een product van de leefomgeving, opvoeding, geloofsovertuigingen en ervaringen; het wordt voortdurend beïnvloed door de wereld om hem heen.
Dit brengt ons terug bij de kern van de bewering. We zien dat de soldaat, de politicus of de agent een product van de samenleving is en er niet buiten staat. Daarmee rechtvaardig ik hun daden niet; integendeel, het laat zien dat wij gezamenlijk een gruwelijke samenleving tot stand hebben gebracht. Met "samenleving" bedoelen we hier niet een specifiek land, maar de hele mensheid op aarde.
‘Als je zegt dat wij die samenleving tot stand hebben gebracht, roept dat bij veel mensen direct weerstand op.’
Als dat zo is, heeft diegene helaas niet begrepen waar we over spreken en blijft hij hangen in denkbeelden van het individu en "ik versus de anderen". Als je begrijpt dat leven "in relatie staan" betekent, zie je dat niemand een individueel leven heeft. Er is slechts één leven waarvan we deel uitmaken, en elk deel beïnvloedt het geheel. Het geheel is de totaliteit van alle delen; als er één deel verandert, verandert het geheel. Dientengevolge is elk mens, of hij nu wil of niet, absoluut verantwoordelijk voor de hele mensheid en voor het hele leven — simpelweg omdat hij er onlosmakelijk deel van uitmaakt. Wat je doet of laat, werkt in op alles wat is.
‘Wat je doet of laat... waarschijnlijk leggen de meeste mensen veel te sterk de focus op het doen en veronachtzamen ze het laten. Ik bedoel: de wereld zou zeker een betere plek zijn als sommige dingen nooit waren gedaan.’
Dat is zeker niet te ontkennen, maar we moeten echt goed oppassen niet te blijven hangen op het verstandelijke vlak, omdat het dan gewoon een nieuw ideaal, een nieuw denkbeeld of zelfs een nieuwe ideologie wordt. We raken hier aan de oude wijsheid van het niet-doen, maar helaas wordt dat meestal volledig verkeerd begrepen. Niet-doen betekent niet dat je niets doet; het betekent: reageer niet op de werkelijkheid vanuit denkbeelden, illusies of ideologieën. Het betekent: handel op basis van wat is — de werkelijkheid die het leven zelf is.
Om op die manier te kunnen leven, moet je dat wat we hier hebben besproken met je hele wezen beseffen — sterker nog, je moet dit met je hele wezen zijn. Als je zegt: "Oh, een interessante theorie," dan verandert er niets. Dan is het volledig waardeloos en een verspilling van tijd en energie.