al-één-zijn... 02
‘Eindelijk ben ik niet meer alleen,’ vertelde hij. ‘Mijn oude geliefde is nu mijn nieuwe vrouw.’ Hij had haar jaren niet gezien, maar toen zijn huwelijk een tijdje geleden vastliep, kwamen ze elkaar toevallig weer tegen. ‘We voelden ons allebei verloren en eenzaam... we konden niet tegen het alleenzijn. We zijn zo blij dat we elkaar weer hebben gevonden.’
‘Je weet niet eens wat alleenzijn betekent,’ was het antwoord. ‘Alleenzijn is de schoonheid van het leven; onverdeeld, vrij van verleden en toekomst. Als je niet alleen kunt zijn, zul je het probleem van eenzaamheid nooit oplossen; jullie ontvluchten beiden je eigen eenzaamheid. Gevangen in de oude droom dat samenzijn eenzaamheid verdrijft... In werkelijkheid is de pijn slechts weggestopt onder een laagje afleiding en plezier, plezier dat geen ware vreugde is. Ware vreugde is spontaan en aan niets gebonden... vrij van tijd en denken. Als je goed naar je innerlijke stem luistert, zul je weten dat je altijd bang bent uit deze droom te ontwaken.’
‘Het voelt inderdaad als een droom,’ zei de man, ‘als ware liefde. En als je echt van iemand houdt, wil je diegene nooit meer kwijtraken… dus ja, de angst voor een einde of verlies hoort bij de liefde. Of zie je dat niet zo?’
‘Is een eenzame man niet de smart van de wereld? Hij is nooit alleen... nooit vrij van zijn verlangens, hunkeringen en angsten. Is er liefde als er verlangens, hunkeringen en angsten zijn? Moet je niet eerst helemaal vrij zijn van dat alles, om op die manier volledig alleen — niet eenzaam — oog in oog met het leven te staan... zonder enige behoefte aan afleiding, hulp of bevrediging van welke aard dan ook?’
‘Ik denk dat ik niet helemaal begrijp wat je bedoelt.’
‘In een staat van alleenzijn — volledig vrij van elke verwachting van iets of iemand — ontdek je misschien een nieuwe geliefde: de essentie van het leven, de geur van het leven... liefde die je werkelijk liefde kunt noemen. Niet twee delen die één willen worden, maar twee deeltjes die deel uitmaken van het geheel en elkaar ontmoeten in een besef van tijdloosheid...’
‘Als ik ernaar luister, lijkt het waar,’ gaf de man toe, ‘maar dan wordt “mijn” liefde klein en betekenisloos... maar dat is alles wat ik heb, al mijn geluk... wil ik wel meer?’
‘Is liefde bezit? Ik vraag me af: waarom spreek je van “mijn liefde”? Als er sprake is van “mijn”, is er sprake van verdeeldheid... en waar verdeeldheid is, staat de deur open voor conflict.’
‘Als je het zo ziet en dat nastreeft, blijf je waarschijnlijk altijd alleen!?’
‘Ik hoop het... is er leven, is er liefde in een mens die streeft? Of is werkelijk leven niet eenvoudigweg liefhebben wat is... en wat is, is dat niet het eeuwig stromende, het zich voortdurend veranderende leven...?’
‘Ik weet niet of ik dat werkelijk tot me wil laten doordringen... het gaat mijn wereld te boven... misschien praten we een ander keer verder... ik moet daar eerst rustig over nadenken.’
‘Zoals je wilt.’
~~
Woorden zijn slechts een werktuig. Het is essentieel te ontdekken wat achter de woorden schuilgaat, de essentie te verkennen waarheen zij wijzen...
Woorden, hoe nauwkeurig ook gekozen, zijn slechts een verwijzing. De verwijzing is nooit de bestemming zelf. Het woord ‘lezer’ is immers niet de mens die nu deze woorden ziet; het woord is slechts een etiket. Zijn we ons van dit feit wel écht bewust?
Als we denken en dan zeggen: ‘Mijn liefde’, is dat beeld dat in ons opkomt niet de levendige persoon naar wie het verwijst. Het is letterlijk een denk-beeld, opgebouwd door het denken zelf — het denken dat het verleden is. Het denken kan daardoor niet anders dan de in de hersenen opgeslagen ervaringen met en kennis over die persoon gebruiken. Begrijpen we dat we op die manier uiteindelijk altijd naar een denkbeeld kijken en niet naar de levendige mens?
Juist om al deze redenen is het van groot belang dat we bij elk woord een gezamenlijk en precies begrip hebben.
Het woord ‘liefde’ heeft niets te maken met werkelijk liefhebben; het is een sterk voorbeeld van iets wat niet onder woorden te vangen is, nietwaar?
Elke omschrijving is slechts een wenk. Pas als wij iets echt beleven, weten we wat het werkelijk is. En dan zijn er geen woorden meer nodig en zien we misschien dat zij die zeggen dat ze iets weten, helemaal niets weten...
Alleenzijn... om de schoonheid van werkelijk alleenzijn te begrijpen, moeten we de essentie ontdekken die achter dit woord schuilgaat. De letterlijke betekenis is al-één-zijn. Dat betekent niet 'het eens zijn' in de zin van accepteren — want accepteren is een daad van het denken. Al-één-zijn gaat het denken te boven; het betekent begrijpen, doorzien, waarnemen op het diepste niveau, dat wil zeggen met de volledige energie van je hele wezen.
We zien nu dat werkelijk alleenzijn volledig losstaat van de plek waar je bent of het aantal mensen om je heen. Je kunt je in volledige afzondering begeven en toch niet alleen zijn, zolang je de gevangene bent van de door het denken geschapen denkbeelden.
Werkelijk alleenzijn, in de betekenis van al-één-zijn, is dus vrij zijn van de dwang van het denken. Niet 'vrij van' in de zin van ontsnapping, maar de absolute vrijheid om te zien wat is... het doorzien van de werkwijze van het denken. Het is het herkennen van het denken als de schepper van tijd in de vorm van verleden en toekomst; net als het inzien dat begeertes, verlangens en gehechtheden — en zelfs de 'denker' zelf — slechts illusies van het denken zijn.
Kun je dat alles doorzien en achter je laten — niet door strijd, maar door het pure besef dat inzicht is — en het denken toch gebruiken wanneer de praktische noodzaak daarom vraagt? Dan ben je werkelijk een vrij mens.
Zien wat is, zonder meer... dat is ware vrijheid. Het laat je ontwaken in het hier en nu; het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient.
Leven is. Het is niet mijn leven of jouw leven... het is één ondeelbaar leven dat we delen met alle uitingsvormen die er zijn. Wij zijn slechts manifestaties van het ene grote ‘iets’ dat we leven noemen; dat noch begin noch einde heeft, en dat nooit te vangen of te meten is in maten van denken en tijd.
Om de volle betekenis van dit alles te beseffen, moet het denken zijn eigen beperkingen en grenzen onder ogen zien, ze werkelijk doorgronden en op die manier stilvallen... In deze staat van innerlijke stilte, die al-één-zijn is, ontdek je misschien... het andere. Het andere dat geen naam nodig heeft. Misschien is het juist omschreven met liefde, liefde in de diepste betekenis van het woord; liefde die een intelligentie laat ontwaken die geen woorden behoeft, omdat ze denken en tijd volledig ontstijgt...