ontmoetingen... 17
Toen hij die avond het bospad betrad, werd hij onmiddellijk overvallen door een onbehaaglijk gevoel; de vertrouwde sfeer ontbrak. Hoewel het pad voor hem elke keer weer nieuw was – omdat hij steevast met een onbevangen blik en een open geest waarnam – was deze keer alles totaal anders en vreemd. Hij miste de rust en stilte waarmee de natuur hem gewoonlijk verwelkomde en omarmde. Het was alsof de bomen zich gekrenkt hadden afgewend en de vogels waren verstomd of gevlucht. Geen enkel gezang of teder getjilp drong tot hem door. Helemaal niets… maar deze stilte was niet vredig, niet mooi; het was een beklemmende stilte, geboren uit angst.
Na enkele meters werd de oorzaak zichtbaar. Velen van zijn grote vrienden, die hem tijdens zijn talloze tochten zo vertrouwd waren geworden, waren er niet meer. Ze waren geveld en al weggevoerd. Van sommigen was werkelijk niets meer over; zelfs hun machtige wortels waren uit de aarde gerukt. Verderop tekenden zich immense bandensporen af, diep in de bodem gekerfd; de mannen hadden hun zware machines dwaas en zonder scrupules over struiken en al het andere leven heen gedreven. Aan de ene flank van het pad was hun arbeid nog niet voltooid. Bomen die de dag ervoor nog in volle glorie naar de hemel reikten, lagen nu zielloos, afgezaagd en van hun takken ontdaan langs de kant van de weg. Hij stond daar en keek en keek… Het was hartverscheurend om al die vernielingen te aanschouwen. Wat hem echter minstens zozeer schokte, was dat passanten en fietsers het gebeurde niet eens leken op te merken; het liet hen volkomen koud, alsof het hun niet kon raken.
Hij dacht dat de mens, waar hij ook gaat, steevast een spoor van vernieling achterlaat. Niets lijkt meer heilig: Moeder Aarde niet, de schoonheid van de natuur niet, het leven in zijn essentie niet… zelfs het leven van de medemens niet. Helemaal niets… behalve wellicht de materiële dingen die zij aanbidden, zoals geld, status en macht. Voor een sprankje erkenning en aanzien is de mens bereid alles op te offeren, te vernietigen, zelfs zichzelf.
Kun je je werkelijk op de juiste manier gedragen wanneer je gevangen zit in je eigen kleine wereldje van ‘ik’- en status-denkbeelden? Wanneer je jezelf ziet als een autonoom individu – dat wil zeggen: als een wezen dat afgescheiden is van zijn medemens, van de natuur en van de stroom van het leven zelf?
Zolang de mens blijft handelen vanuit eng eigenbelang, zal de verwoesting van de wereld onvermijdelijk voortduren en zelfs intensiveren. Pas wanneer de mens het geheel ziet – niet als een ideaal of abstracte theorie, maar als een onomstotelijk feit; het feit dat de mens de mensheid ís en onlosmakelijk deel uitmaakt van al het leven – is er een kans dat hij tot de juiste manier van handelen en leven komt. Om de eenvoudige reden dat, zodra hij werkelijk ziet én weet ‘wat is’, de muren die hem scheiden van mededogen en liefde vanzelf verdwijnen. En alleen wanneer mededogen en liefde zonder meer – dat wil zeggen: zonder specifieke reden en doel – in de mens wonen, handelt hij vanuit ware intelligentie. Of beter gezegd: dan zorgt de intelligentie voor het juiste handelen.
Op de terugweg schrok hij opeens van het brullen van motoren. Twee zware machines naderden met hoge snelheid vanuit de richting van de spoorlijn: een tractor met een gespecialiseerde boomtransporteur en een imposante kraan. Nu begreep hij waar de geluiden vandaan kwamen die eerder zijn rust op het bankje hadden verstoord... en hij wist waar zijn vrienden waren gebleven... zij waren al onderweg om iets materieels te worden. Precies op het punt waar hij het bos verliet, raasden de zware voertuigen hem voorbij. Hij ving een glimp op van de gezichten van de jonge bestuurders. Ze leken tevreden; ze hadden hun taak plichtsgetrouw volbracht en haastten zich nu huiswaarts.
Hij vroeg zich af: kun je werkelijk liefdevol zijn in de omgang met je partner of kind, wanneer je de hele dag meedogenloos de natuur – en daarmee een deel van het leven – hebt verwoest? Of beschouw je je naasten dan ook louter vanuit het perspectief van utiliteit: ‘Wat levert het mij op?’ Is onze gehele maatschappij niet gefundeerd op de misvatting dat we de ander slechts liefhebben zolang zij onze persoonlijke belangen dienen?
Om een antwoord op deze vragen te vinden, heeft het geen zin om naar de buitenwereld te kijken. Ieder mens kan en moet voor zichzelf in de spiegel van zijn relaties onderzoeken: Ben ik oprecht geïnteresseerd in de ander... omwille van de ander zelf... of ben ik slechts geïnteresseerd in hen als middel om mijn eigen behoeften te bevredigen, mijn verlangens te sussen, mijn status te verhogen, enzovoort? Heb ik hier ooit werkelijk serieus bij stilgestaan? Doe ik weleens iets puur voor de ander, voor het grotere geheel? Of schuilt er in alles wat ik doe stiekem toch een element van eigenbelang, van zelfzucht?