met open ogen... 09
Al de hele dag was het wisselvallig weer. Koude wind volgde op heerlijk warme zonnestralen en even later was de lucht donkergrijs; je dacht dat het meteen zou gaan regenen. Maar dat gebeurde niet.
De wandeling voerde langs het prachtige meertje, deels door een klein bosje, deels langs een smal oeverpad. Je kunt het water aan je linkerkant altijd zien; het is een prachtig schouwspel als de zon erop reflecteert. Je blijft staan — zonder na te denken, zonder enig beoogd doel — en kijkt. Je ziet niet alleen de weerspiegeling van het zonlicht, maar ook die van de wolken en bomen, evenals hun schaduwen. Het lijkt erop dat ze in het water dansen. Vlak voor een kruispunt waar het smalle pad eindigt en je een breder zandpad opgaat, ligt een bijzonder plekje. Je staat daar heel dicht bij het water en hebt een prachtig uitzicht op een geheel dat bestaat uit het meer, de bomen rondom, de hemel en de weerspiegelingen van dit alles op het water. Elke keer dat je hier passeert, stop je — niet uit ritueel of gewoonte, maar omdat de schoonheid — die elke keer nieuw is — je boeit en vasthoudt.
Wat je vasthoudt, is de stilte die uitgaat van deze plek. Deze stilte komt niet voort uit de afgelegen ligging, maar is er vanwege de schoonheid van de natuurlijkheid ervan. Natuurlijke schoonheid die elke gedachte in een flits wegvaagt, je geest opent en je zintuigen scherp, aandachtig en uiterst gevoelig maakt. Een moment van meditatie — van volledige aandacht.
Meditatie is het sterven van verleden en toekomst; het stilvallen van de tijd. Wat overblijft is puurheid, de zuiverheid van het voortdurend vernieuwende leven.
Meditatie is niet het ontkennen of beheersen van het denken. Integendeel: meditatie betekent dat je je heel bewust bent van elke gedachte die opkomt, zonder met de gedachte in gesprek te gaan. Dat wil zeggen: de gedachte komt naar boven — in de vorm van een prettige of onprettige herinnering — je geeft hem de ruimte, neemt hem bewust waar, maar laat je er niet door beïnvloeden en gaat er niet mee verder.
Meditatie en denken gaan nooit samen. Meditatie betekent immers volledig in het ‘Nu’ zijn en is dus altijd nieuw, terwijl denken altijd plaatsvindt in termen van tijd; het kan niet anders dan gebruikmaken van het verleden en is dus altijd oud. Het denken is gebaseerd op herkenning in de vorm van kennis, ervaringen en herinneringen. Het is duidelijk dat elke herinnering in het verleden ligt. Daarom kan het denken — dat in feite een mechanisch proces is — niets anders doen dan het heden vergelijken en beoordelen op basis van het verleden. Het denken heeft geen andere optie — het is zijn beperking — en daarom blijft een toekomst die door het denken wordt voortgebracht, in wezen een herhaling van het verleden.
Zie je het verschil tussen een geest die zich in een meditatieve staat bevindt — die alles bewust waarneemt — en een brein dat zich niet bewust is van zijn eigen gedachten? Een bewuste geest maakt alleen gebruik van mechanisch denken wanneer dat nodig en nuttig is. Een onbewust brein wordt echter aangestuurd door het denken en verkeert daardoor altijd in conflict tussen 'wat werkelijk is' en de beelden die het denken creëert. Zo’n brein valt nooit stil.
Een grote valkuil is dat we vaak alleen de nare herinneringen kwijt willen, terwijl we de fijne herinneringen koesteren. Maar vrij zijn is geen kwestie van keuze; vrij zijn vereist dat je je — keuzeloos — bewust bent van de ketenen uit het verleden.
Je staat misschien drie minuten op deze prachtige plek aan het kleine meer. Hoe lang is onbelangrijk, omdat tijd geen psychologische betekenis heeft. Zien doe je ‘Nu’ of nooit. Dit geldt voor elk inzicht: het komt in een flits, je kunt het niet via welk proces dan ook creëren.
Wat je ziet — echt ziet en dus waarnemt met je hele wezen — is prachtig. Een spel van licht en kleur: het heerlijk heldere en intens groene water, de vlakke bodem met zijn lichte, fijne zand. De wolken aan de hemel achtervolgen elkaar; ze lijken verwikkeld in een onophoudelijk spel met het licht van de zon, maar de zonnestralen vinden er nog steeds hun weg doorheen. Aan de rechterkant van het meer zie je een lange rij bomen. Hun takken zijn nog zonder bladeren, met uitzondering van één. Hij staat zo scheef dat hij bijna het water raakt. Het ogenschijnlijke nadeel is zijn voordeel geworden: hij heeft nu al zijn bladeren in de mooiste voorjaarskleuren, een mix van groen en felgeel. De bladeren zijn nog zo jong en zacht. Omdat ze zo zacht zijn, zijn ze juist sterk. Dat is geen tegenstrijdigheid. Ze bewegen met de wind mee — met het leven — zonder te breken. Deze beweging met het leven is hun kracht. Elke weerstand tegen het leven leidt tot verval.
Opeens lijkt alle kleur verdwenen. De lucht is donkergrijs en de wind is bijna stormachtig. Je loopt verder, maar na een paar stappen stop je; iets in de lucht heeft je volledige aandacht getrokken. Op een heel klein stukje breken de wolken op en zie je de helderblauwe hemel. Het is alsof je door een raam kijkt. De wolken direct daaronder zijn nu wit en vol licht. Eigenlijk zijn het niet de kleuren die mooi zijn; het licht maakt ze mooi.
Zonder licht is er geen kleur. Alleen het natuurlijke licht van de zon kan deze schoonheid voortbrengen. Geen kunstenaar, geen enkele technologie kan dit repliceren. Echt levendige kleuren gaan verder dan alles wat kunstmatig is. Echt felle kleuren vind je alleen in het prachtige licht van de zon buiten in de natuur.
Je eigen licht is de essentie van bewust zijn — gewaar zijn van wat is. Alleen als je eigen licht zo sterk is dat het elke gedachte verlicht en in zijn volle pracht kleurt, zal die gedachte tot volle bloei en zo tot een einde komen. Hij is dan gezien voor wat hij werkelijk is: een beeld van het mechanische brein, niet meer dan een illusie die voortkomt uit het verleden.