met open ogen... 07

 

Heel vroeg was je in een oogwenk wakker. Het lichaam was volkomen stil en er flitsten geen gedachten door je hoofd. De ogen hebben een momentje nodig om bij te komen en te zien. Dan merk je dat de veranda en de slaapkamer verlicht worden door een warm, natuurlijk licht. De bron van het licht is de prachtige grote maan, die door het brede raam letterlijk in al zijn pracht en schoonheid direct in je gezicht schijnt. Het lijkt alsof hij je recht aankijkt. De lucht om hem heen is lichtblauw en dit prachtige scenario is omgeven door witte wolken gehuld in licht. De wolken zelf lijken gevuld met licht of zelfs van licht te zijn gemaakt. Het geheel is een pracht van licht en kleur; elke beschrijving schiet tekort.

 

Het is heel dicht bij je, of beter gezegd: je bent er helemaal niet — wat is, is in wezen één. Het is een één-zijn van en met alles: pure, heldere waarneming van alles in zijn geheel… de stilte, het licht, de onmetelijke ruimte zonder afstand. Jijzelf — jouw ‘ik’, de waarnemer — is er niet omdat er geen gedachten zijn en dus ook geen besef van tijd. Het werktuiglijke verstand is stil, maar wat klaarwakker en intens gevoelig is, is de geest. Hij is in meditatie en dus één met de stilte, het licht en de onmetelijke ruimte, omdat hij alleen waarneemt wat er is, zonder enige gehechtheid, zonder iets te willen.

 

Zonder erover na te denken sta je op, trek je een broek en trui aan, open je de deur naar de veranda en stap je de koude ochtendlucht in. Het is fris en de houten vloer is koud, maar het is niet onaangenaam. Je schuift het raam open en op dat moment merk je dat er veel wolken aan de hemel hangen. Het is niets minder dan een wonder dat ze precies voor dit moment openscheurden, waardoor de prachtige maan zijn weg naar je slaapkamer kon vinden.

Terug in bed blijf je naar de maan kijken. Opeens beweegt hij zich vrij snel en daalt hij neer in de boomtoppen. De intensiteit van zijn licht neemt af en verdwijnt heel snel volledig. Wat blijft, zijn de donkere wolken en het wonder dat je dit tijdloze moment hebt gezien. Je bent heel rustig en de slaap komt snel terug, net zo snel als hij eerder was geëindigd.

 

Je weet niet hoe lang het hele moment heeft geduurd, en dat is ook niet belangrijk. Het was een moment van meditatie — en dus tijdloos. Het hele gebeuren — inclusief opstaan en aankleden — was meditatie omdat er geen scheiding, geen verdeeldheid was. Er was geen gedachte over hoe het zou moeten zijn, en daarom was er geen conflict tussen 'wat was' en wat het volgens het denken had moeten zijn. Alle actie kwam simpelweg voort uit het zijn, uit het zien van wat er was.

 

Meditatie komt uit het niets. Je kunt haar niet uitnodigen, je kunt haar niet plannen en je kunt haar niet oproepen via een bepaalde actie of oefening. In een bepaalde houding zitten en bepaalde woorden herhalen is geen meditatie. Dit alles is handelen vanuit het denken, vanuit een verlangen om iets te bereiken waar niets te bereiken is.

Werkelijk in meditatie zijn is een staat van zijn, een staat van niet-willen. Het is de toestand waarin het verstand — het denken — stil is omdat het zijn eigen beperkingen herkent en begrijpt. Hierdoor ontstaat er ruimte voor de geest die ziet wat is, zonder enige behoefte om daar vorm aan te geven. 

 

Meditatie is het keuzeloos gewaar zijn van wat is; van alles wat er om je heen en in jezelf gebeurt, zonder een doel na te streven. Meditatie is dus volledige aandacht voor het ‘Nu’. Volledige aandacht betekent dat er alleen sprake is van waarneming — niet van iemand die waarneemt.