ontmoetingen... 22

 

 

De stad die zij tien dagen eerder onder een grauw dek van regen en storm hadden verlaten, verwelkomde hen nu met stralende zonneschijn. De hemel was onbewolkt azuurblauw en er woei slechts een milde bries. De vele prachtige bomen in de straat waar zijn moeder woont, toonden hun herfstkleuren in volle glorie; het was een vreugde om deze pracht in het heldere zonlicht te aanschouwen. Het was de laatste avond van hun herfstvakantie; de volgende ochtend zou hij huiswaarts keren, en zij vroegen zich af waar de mooie dagen gebleven waren…

 

Hij had de laatste bagage uit de auto gehaald en besloot – tegen zijn gewoonte in – de lift te nemen in plaats van de trap. Toen de deuren openschoven, stond hij tegenover een kennis die hij hartelijk met een ‘Hoi!’ begroette. Hij wilde nog een woord tot hem richten, maar kreeg de kans niet… De man glipte haastig, uiterst onbeholpen en met gebogen hoofd langs hem heen, terwijl hij iets mompelde dat slechts in de verte op een groet leek. Hij keek de man na, geschokt door diens verschijning. De lichamelijke achteruitgang was onmiskenbaar, maar de gehele houding suggereerde een geestelijke gesteldheid die minstens zozeer in verval was geraakt.

Hun laatste ontmoeting flitste door zijn hoofd. In zijn herinnering zag hij nog een waardige heer met een vitale uitstraling, iemand die oprecht openstond voor een praatje… Maar wat is de herinnering werkelijk? Is het niet louter een beeld uit het verleden, opgeslagen in de hersenen? Hoe betrouwbaar is zo’n beeld? Is het een getrouwe weergave van wat was – de werkelijkheid – of is het onvermijdelijk vertroebeld en ingekleurd door denken en tijd?
En misschien wel de meest cruciale vraag: bezit zo’n beeld nog enige betekenis voor het ‘Nu’, het leven? Of is het slechts een dood reliek, zonder enige verbinding met het levendige, bruisende leven dat zich voortdurend vernieuwt en alleen van ogenblik tot ogenblik openbaart?

 

Bij de koffie vertelde hij zijn moeder over de ontmoeting. Zij kende de man goed en ze hadden vaker over hem gesproken. Ze beaamde dat hij zienderogen achteruitging, maar voegde eraan toe: ‘Hij is tenslotte ook al een oude man.’ Ze lachten allebei… zijn moeder was immers ruim tien jaar ouder dan de man, maar zij was gelukkig nog altijd jong van geest en lichamelijk fit. Geest en lichaam staan niet los van elkaar. Het lichaam blijft niet soepel en vitaal wanneer de geest verstart en aftakelt.

 

Is ‘jong’ of ‘oud’ werkelijk een kwestie van leeftijd? … Het lichaam ondergaat onvermijdelijk natuurlijke slijtage, maar geldt dat ook voor de geest? Of kan de geest een leven lang jong, flexibel, fris en onbevangen blijven?

 

Zijn moeder vertelde dat de man geen positief beeld van zichzelf had en dat zijn aftakeling de vervulling van zijn eigen verwachting was.

 

Dat is ongetwijfeld waar, maar hij vroeg zich af waarom de mens überhaupt een beeld van zichzelf moet hebben. Is niet elk beeld – of het nu positief of negatief is – een ontkenning van de werkelijkheid? Creëert het niet onvermijdelijk een kloof tussen de projectie en de waarheid die het leven zelf is? Die kloof is verdeeldheid en leidt onherroepelijk tot conflict. En waar conflict heerst, is het verval van de geest slechts een kwestie van tijd. Het kan niet anders; wat kun je immers verwachten van een brein dat als in een tredmolen loopt, onophoudelijk vergelijkt, oordeelt en meet? Moet zo’n brein – de werkplaats van de geest – niet onvermijdelijk slijten, vanzelfsprekend achteruitgaan?

 

Wanneer zij elkaar weerzien, vraagt zijn moeder hem vaak: ‘Hoe zie ik eruit? Ben ik oud geworden?’ Meestal geeft hij geen antwoord. Niet uit desinteresse, maar simpelweg omdat hij geen antwoord heeft; hij denkt nooit in vergelijkingen, nooit in termen van ‘toen’ en ‘nu’. Misschien kan men zeggen dat hij op de momenten van ontmoeting helemaal niet denkt – maar gewoon ziet ‘wat is’. Voor hem is een ontmoeting geen herkenning van het verleden, geen voortzetting van de tijd, maar simpelweg zien én weten in het ‘Nu’. Zijn waarneming is een gewaarwording van het moment… een gewaarzijn of alles in orde is…

Hij vraagt ook nooit aan een ander of het goed met hem gaat; hij ervaart die vraag zelfs als onzinnig. Wordt deze vraag niet uitsluitend gesteld door mensen die zich enkel binnen de beperkte ruimte van het denken bewegen? Waarom zou je naar iets vragen wat je direct kunt zien wanneer je met je hele wezen aanwezig bent? Dat veronderstelt natuurlijk dat je oprecht geïnteresseerd bent… maar zijn mensen werkelijk geïnteresseerd? Als we de werkelijkheid eerlijk onder ogen zien, is de vraag ‘Hoe gaat het?’ meestal niet meer dan een holle, beleefde formaliteit, zonder enige werkelijke betekenis of mededogen.