ontmoetingen... 24

 

 

De lucht was warm, fris en schoon; lichaam en geest genoten ervan bij elke ademhaling. De zon scheen helder tussen de drijvende wolken door en er waaide een zacht briesje. Het was een heerlijke dag voor een wandeling in het kleinschalige bosgebied vlak bij de stad; omdat het de hele week droog was geweest, kon je elk denkbaar pad bewandelen.

Zoals bijna altijd het geval is, ontstond je route gaandeweg, stap voor stap, zonder voorafgaande planning of een vaststaand doel; zelfs al zou je het willen, je zou het afgelegde pad achteraf niet meer nauwkeurig kunnen reconstrueren. En toch wist je één ding zeker: dat je minstens één keer over het oude kerkpadje zou lopen. Niet omdat er geen alternatief was, nee, je wist gewoon dat het je elke keer dat je hier wandelde ernaartoe trok... zeker niet omdat het heilig is louter omdat het een oud kerkpadje is, maar misschien omdat je vanaf je allereerste bezoek meteen gecharmeerd was geraakt door de vele oude naaldbomen, de heide en de struiken langs het padje... zijn zij uiteindelijk niet het ware heilige op onze prachtige aarde?

En zo gebeurde het ook op die prachtige winterdag… opeens stond je voor het mooie heideveldje waar het kerkpadje doorheen liep. Het was erg smal – in de zomer schuurde de heide voortdurend langs je benen en werd je onophoudelijk verzorgd door het gezoem, getjilp en geklik van de vele bewoners van de heide; er zoemden dan talloze bijen om je heen, en ooit vroeg een man je of je niet bang was om gestoken te worden… wat een vreemde zorgen en angsten koesteren mensen toch… de meest kleurrijke maanden zijn natuurlijk augustus en september, wanneer de heide volop in bloei staat; maar uiteindelijk is het altijd een plek van bijzondere schoonheid, zo prachtig… zo ook deze keer. Je stopte vaak – zoals altijd – meestal vlak bij een van je dierbare, grote vrienden, die die dag zachtjes maar onmiskenbaar in de wind wiegden — of beter gezegd: vol waardigheid met de wind meebogen. Je ging dicht bij een van hen staan en raakte hem even aan… wat moeten zij in hun lange leven niet al gezien hebben… de vele mensen die, lang geleden, elke zondag de soms zware tocht maakten om de preek in de grote kerk van de stad te horen, om hun plicht als goede, oprechte gelovigen te vervullen, of misschien deden ze dat wel meer uit angst dat hen iets noodlottigs zou overkomen als ze wegbleven… Geloof is bijgeloof; als je niet doet wat je zou moeten doen, zal dat je geen goed doen, de straf is dan onvermijdelijk…

Tegenwoordig lopen of fietsen de meeste mensen over het nieuwe, brede pad langs het veldje; dat is immers makkelijker en sneller… je krijgt vaak het gevoel dat mensen, zelfs op zo’n heerlijk, mooi plekje als dit, gehaast zijn… ze gaan waarschijnlijk ook niet meer zo vaak naar de kerk; wat niet betekent dat ze geen gelovigen, geen volgelingen meer zijn, alleen dat wat of wie ze volgen is veranderd, is diverser geworden… in werkelijkheid is er in wezen niets veranderd; de mens – althans de overgrote meerderheid – is blind voor wat werkelijk heilig is… Misschien omdat het zo alledaags lijkt? Je hoeft namelijk niet eens ver te gaan om het te zien; je vindt het zeker niet in kerken, tempels, moskeeën, synagogen of kloosters... maar eerder in elk grassprietje, elke bloem, elke boom langs de weg... tenminste, als je er met onverdeelde aandacht naar kijkt en zo helemaal stil wordt – werkelijk stil vanbinnen, omdat dan denken en daarmee ook de tijd stilstaat – dan ben je het zelf, omdat je dan één bent met het leven...

Aan het einde van het kerkpadje bleef je nog eens stil staan en keek je achterom... het veldje en je oude vrienden waren klaar voor de avond en de nacht, namen op hun eigen speciale manier afscheid van jou en de dag, en je voelde dat ze nu met rust gelaten wilden worden... dus je liep verder, en een klein stukje verderop sloeg je linksaf het brede zandpad op... het was niet de meest logische route naar de parkeerplaats, maar zo liep je nog eens langs de rand van het veldje, waar de dag nu vredig ten einde liep in het gouden licht van de ondergaande zon... je zwaaide nog een laatste keer, als een laatste groet en een stil bedankje...

 

~~

 

Ook bij deze tweede ontmoeting was de eerste en laatste indruk dat ze een zeer oude vrouw was; oud in de zin dat ze elke levendigheid leek te ontberen. Ze was waarschijnlijk niet ouder dan eind vijftig en leek nogal zelfingenomen – niet zozeer wat betreft haar uiterlijk, maar wel wat haar status betrof. Ze was niet slechts de echtgenote van een ondernemer, maar werkte ook mee in het familiebedrijf, was maatschappelijk actief binnen haar kerkgemeenschap en was zichtbaar trots op haar kinderen en kleinkinderen. Tot je verbazing stapte ze op je af en vroeg om even te praten. Ze leek onrustig; haar ogen bewogen rusteloos en gejaagd.

 

‘Onze eerste ontmoeting was niet bepaald prettig en ik wil u laten weten dat u altijd weer welkom bent in ons huis.’ (Tijdens de zogenoemde coronacrisis had ze je met felle woorden duidelijk gemaakt dat ze niet wilde dat je haar man nog op zijn kantoor zou bezoeken, nadat ze had vernomen dat je niet gevaccineerd was.) ‘Achteraf gezien kunt u mijn uitbarsting vast wel vergeven; met de kennis van nu zouden we immers allebei meer begrip hebben voor elkaars standpunt, nietwaar?’

 

‘Heeft het werkelijk zin om in het heden over het verleden te filosoferen? Is het niet veel waardevoller om in het “Nu” de werkelijkheid te zien zoals ze is, zodat zien en handelen één vloeiende beweging zijn?’

 

‘Achteraf gezien is het makkelijk praten. Wilt u mij echt verwijten dat ik indertijd voorzichtig en verantwoordelijk handelde? Destijds was iedereen opgelucht door de komst van de vaccins en mijn reactie strookte met de aanbevelingen van alle deskundigen en politici.’

 

‘Ik verwijt u helemaal niets. Niet toen en nu evenmin. Ik wees er enkel op dat alleen ons handelen in het “Nu” betekenis heeft. Het blindelings volgen van autoriteiten is de grootste belemmering voor eigen verantwoordelijk handelen.’

 

Haar onrust maakte plaats voor een starre houding en haar stem kreeg een bitse klank. Het was duidelijk dat ze het niet gewend was dat iemand haar tegensprak.

 

‘U heeft geen eigen kinderen; u bent alleen verantwoordelijk voor uzelf. Het spijt me dat ik dit punt weer moet aanhalen, maar ik – wij, mijn man en ik – dragen de verantwoordelijkheid voor de mensen in ons bedrijf, voor onze kleinkinderen en ikzelf ook voor de kinderen in de kerkgemeente waarvoor ik zorg. Weet u wel hoe bang ik was dat ik door uw onredelijke gedrag een gevaar voor die kinderen zou vormen? Nu zult u ongetwijfeld zeggen dat de huidige kennis bevestigt dat de vaccins niet waren wat ze beloofden te zijn, maar dat wisten we toen nog niet. …

Blind vertrouwen in de autoriteiten... u heeft makkelijk praten. Als we niet meer op deskundigen en de regering kunnen vertrouwen, op wie moeten we dan bouwen in zo’n uitzonderlijke situatie?’

 

‘U spreekt voortdurend over verantwoordelijkheid, maar wie enkel vertrouwt en zich door een ander laat leiden, is in wezen verlaten en handelt absoluut niet verantwoordelijk. Verantwoordelijk handelen betekent zelf een antwoord geven op een uitdaging, en niet gewoon meelopen en herhalen wat een ander zegt. … Is dat wat u wilt doorgeven aan de kinderen die aan u zijn toevertrouwd? Een mentaliteit van een tweedehands leven? … U gaat er weer vooringenomen vanuit dat iemand zonder eigen kinderen niet om zijn medemensen en de wereld geeft. Hoe komt u daarbij? Heeft u dat werkelijk onderzocht, of is het gewoon iets dat u aanhaalt omdat het u goed uitkomt en vaak door de samenleving wordt verondersteld? De samenleving en haar kinderen, waar u zo bezorgd om zegt te zijn, is dat niet dezelfde samenleving waarin ouderen momenteel op grote schaal “opofferingsgezindheid” en zelfs “sneuvelbereidheid” van hun eigen kinderen verwachten, enkel omdat ze blijven wie ze altijd zijn geweest: volgelingen van machtswellustige politici en leiders?’

 

‘Mijn man vertelde me dat u een serieus persoon bent, daarom stapte ik op u af, maar helaas moet ik constateren dat u totaal geen begrip heeft voor mij als mens, voor iemand die enkel het goede wil doen voor haar medemensen. Ik neem aan dat u helemaal niet gelooft... ik bedoel, niet in God?’

 

‘U heeft gelijk, ik geloof nergens in. Geloven betekent een ‘tweedehands’ leven leiden; je aardse bestaan baseren op boekwijsheid en het volgen van autoriteiten, in plaats van op de werkelijkheid van het leven zelf. Een leven dat zich alleen in het ‘Nu’ afspeelt en voortdurend in beweging is. … Alle zogenoemde heilige boeken zijn in wezen niet heilig, maar statisch en dood. Het enige wat werkelijk heilig is, is het zich eeuwig vernieuwende leven.’

   

‘Is dat wat u gelooft? Nee, u zei het al: u gelooft helemaal niets. Hoe kan een mens zonder geloof leven? Dat is onmogelijk. U probeert me enkel te bekeren tot uw eigen overtuiging en mij te overtuigen van uw gelijk.’

 

‘Geloof heeft nu eenmaal absoluut niets met feiten te maken. Maar als u, of wie dan ook, in een illusie wil leven, heb ik daar geen enkel probleem mee. Bent u zich er echter van bewust dat we gedurende dit hele gesprek eigenlijk niet met elkaar hebben gecommuniceerd? U luistert niet naar mijn woorden; u vertaalt wat ik zeg onmiddellijk naar uw eigen kaders en geloofsovertuigingen, en reageert enkel om die te verdedigen. Ik wil u noch iemand anders ergens van overtuigen; dat zou absurd zijn. Of u nu mij volgt of een ander, dat blijft in de kern hetzelfde. Het enige wat ik u toewens, is dat u wakker wordt. Dat u zelf ontdekt, zelf onderzoekt en zelf ziet wat er werkelijk is, omdat dit de enige manier is om vrij te zijn.’

 

‘Ik begrijp u niet. U heeft gelijk dat alles wat u zegt in schril contrast staat met mijn waarden en overtuigingen. Mijn man vond het een goed idee om met u te praten, al vraag ik me af waarom. Misschien moet ik uw woorden rustig overdenken... verwerken, zou ik bijna zeggen. Laten we het hierbij laten.’

 

‘Zoals u wilt, in de stilte schuilt de waarheid… die zien én weten is…’