met open ogen... 14

 

De dag verwelkomt je met een prachtig schouwspel van licht en kleur. Het is zo intens dat zelfs de boomtoppen de kleur van de lucht hebben aangenomen: een stralend goudbruin. Dit tafereel laat je denken: het is alsof ik de hele zomer heb verslapen en nu in de herfst wakker word. Je moet erom lachen. Een ogenblikje later is deze pracht alweer verdwenen, weggevaagd door de nooit eindigende beweging die het leven is. Is het niet geweldig dat je precies op dit moment wakker werd en getuige was van zoveel natuurschoon?

Even later merk je dat het — net als de dag tevoren — waait, bijna stormt. De wolken drijven razendsnel en in groten getale langs de veranda. Het blijft een fascinerend, afwisselend spel van grijze wolken, doorbrekende blauwe lucht en zelfs — heel zelden — de zon, die dan heerlijk je kamer verlicht… Het is een genot om dit te beleven…

Het eindigt als je niet meer aandachtig aanwezig bent -  op het moment dat de eerste gedachte in de vorm van tijd verschijnt, bekijk je de gebeurtenissen niet meer met een onbevooroordeelde blik, maar door een door het denken gekleurd beeld. 

Je plannen voor vandaag blijken niet uitvoerbaar. Je moet lachen, want je beseft: “Maak nooit plannen.”

 

Plannen zijn de dood van geluk. De werkelijkheid — het leven — zal hier nooit recht aan doen. Je kunt alleen doelloos gelukkig zijn. Gelukkig in de zin van een volmaakte gelukzaligheid, niet het geluk van het denken. Voor het geluk van het denken moet je altijd iets bereiken; het is aan de tijd gebonden. En wat aan de tijd gebonden is, is vergankelijk. Het is immers een feit dat alles wat een oorzaak heeft, ook tot een einde moet komen. Bovendien is dit geluk altijd aan iets of iemand gebonden, waardoor er gehechtheid ontstaat die tot afhankelijkheid leidt. In zo’n geluk — hoe heerlijk het ook mag zijn — schuilt angst: de angst om het te verliezen, de angst dat het ongewenst verandert, of de angst dat degene van wie jouw geluk afhangt, je zal afwijzen of dat degene doodgaat.

 

Echt geluk — gelukzaligheid — bestaat alleen als er geen angst en geen smart is. En dat kan alleen als er geen verlangen is, geen hunkering, geen begeerte om iets te willen worden of te willen bereiken. Pas wanneer alle streven ophoudt en je handelingen voortkomen uit het zien van 'wat is', leef je een werkelijk onverdeeld leven…

 

Terwijl je dit schrijft, zit je in de kleine mooie kamer met het grote raam. Je kijkt naar het kleine kersenboompje dat voor het eerst in bloei staat. Het is erg knap; het weet hoe het moet leven. De prachtige jonge bloesems wiegen in de wind en worden stil als de wind gaat liggen. Het boompje geniet van de zonnestralen en treurt niet als een blad valt en sterft. Het steekt al zijn energie in het ene kleine momentje dat het leven is: het ‘Nu’.

Wat doet de mens — tenminste de overgrote meerderheid — aangemoedigd door een zieke, door de mens zelfgecreëerde en in standgehouden samenleving? De mens verspilt zijn energie door te streven iets te willen worden wat hij niet is. Hij begrijpt niet eens dat hij niet losstaat van de natuur, van het leven. Er is een groot verschil tussen zeggen: ‘Ik neem deel aan het leven’ en ‘Ik ben deel van het leven’. De mens is niet gescheiden van het leven, hij staat er niet los van; je hebt geen keus, omdat je het leven bént. Dit is geen theorie of verbeelding — het is een feit. Je moet er niet over nadenken, je moet het zien en beseffen – niet verstandelijk — maar in je hele wezen.