al-één-zijn... 03
‘De volgende vragen kwamen boven...
“Is deze liefde voor het leven genoeg om de menselijke behoefte aan warmte en een fysieke ander volledig te vervangen, of is het een fundament van waaruit je de ander pas echt kunt zien?”
“Is het voor de menselijke hersenen überhaupt mogelijk om een langdurige relatie te hebben zonder beelden op te bouwen, of moeten we die beelden simpelweg elke dag opnieuw laten 'sterven' om de ander weer fris te ontmoeten?”
“Hoe ziet die intelligentie eruit in het dagelijks leven? Hoe handelt iemand die niet vanuit het verleden (het denken) reageert, maar vanuit die woordeloze intelligentie?”
Om welke redenen stellen we een vraag? Om een antwoord te krijgen? Wat hebben we aan de woorden van iemand anders? Schuilt het antwoord niet misschien in de vraag zelf? Misschien is het goed om, voordat we de vragen samen verkennen, de vragen zelfs nog eens te lezen; heel zorgvuldig naar elke vraag op de juiste manier luisteren...
Luisteren we ooit werkelijk op de juiste manier naar iets of iemand? Juist in de betekenis: met volle aanwezigheid en aandacht voor het geheel? Het geheel bestaat niet alleen uit de woorden die we horen of lezen; het omvat ook elke gedachte, elke emotie en elk gevoel dat in onszelf opkomt. Zijn we ons er eigenlijk van bewust dat we bijna onophoudelijk in gesprek zijn met onze eigen gedachten, emoties en gevoelens? … Neem het nu eens bewust waar... je luistert naar de schrijver en tegelijkertijd naar jezelf. …
Ik weet niet of we ons daar altijd volledig van bewust zijn, maar alleen als we dit alles heel aandachtig zien, begrijpen we hoe ons bewustzijn — onze herinneringen, ervaringen en kennis — ons belet om het nieuwe onbevooroordeeld waar te nemen. Hoe meer we ons hiervan bewust worden — zonder het te veroordelen of te onderdrukken — hoe stiller het wordt, omdat het denken zijn eigen beperkingen inziet... En hoe stiller het is, hoe meer luisteren we op de juiste manier; dat wil zeggen, naar wat is, zonder het nieuwe onbewust meteen te verklaren in termen van het verleden, gewoonten of oordelen.
Heb jij op die manier naar onze drie vragen geluisterd? …
Zien we dan misschien dat wanneer we nu samen op reis gaan en verkennen wat liefde is, of liefde en denken ooit kunnen samengaan en welke rol de dood — of veel meer het sterven — speelt, de vragen verdwijnen omdat het antwoord zich vanzelf onthult?
En misschien vangen we nu al de eerste glimp op en vragen we ons af… zijn leven, liefde en sterven misschien zelfs onlosmakelijk met elkaar verbonden?
‘Ik’... wat is dat uiteindelijk, wat wij ‘ik’ noemen? Laten we ons eens afvragen of we werkelijk begrijpen wat het ‘ik’ — de denker die de vragen stelt — psychologisch gezien in feite is. … Staat de denker werkelijk los van het denken?
Het denken heeft zich opgesplitst in twee identiteiten en daarmee een innerlijk conflict geschapen: het denken dat zich in de vorm van de denker (het ‘ik’) afvraagt of het wel juist denkt, of het 'goed' is en of het iets beters kan worden. In werkelijkheid is er alleen een denkgebeuren dat onophoudelijk met zichzelf in discussie is; gedreven door de behoefte om orde te scheppen in het eigen huis — ons brein, onze hersenen — schept het juist meer en meer wanorde door het denkbeeld van de denker in stand te houden.
Denken is tijd. Het einde van de psychologische tijd zou het einde betekenen van de door het denken geschapen beelden. Het denken beweegt zich voortdurend in de illusie van verleden – heden – toekomst; het hier en nu — het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient — wordt door het denken slechts gebruikt als werkplaats.
Het ‘heden’ van het denken is niet het nu; als het denken werkelijk stilstaat in het nu, is het stil en dus niet meer aanwezig.
Het denken heeft zijn eigen gecreëerde, meetbare ruimte — de tijd — maar kan de onmetelijke ruimte van het nu niet binnengaan. Het meetbare kan het onmeetbare nooit ontmoeten.
Denken is altijd het verleden; altijd oud. De illusie die het denken ‘toekomst’ noemt, heeft zijn oorsprong altijd in het verleden. Het denken kan alleen gebruikmaken van in de hersenen opgeslagen kennis en ervaring, en op basis daarvan een beeld van de toekomst projecteren. Als we dit feit werkelijk beseffen, zien we meteen dat de toekomst het verleden blijft — hooguit in een licht gewijzigde vorm.
Geloof het niet zomaar, neem niets aan alleen omdat iemand het zegt; kijk zelf eens goed naar de geschiedenis van de mens. Net als de rest van de natuur was hij kwetsbaar; onder de voeten van de wilde dieren bijna even licht te verpletteren als een grassprietje in de wei. Tot zijn zegen, of misschien ook zijn vloek, was er een klein maar cruciaal verschil… zijn buitengewone brein, de fysieke plaats waar zijn briljantste werktuig, het denken, huist. Het brein dat hem in staat stelt de wereld niet alleen te zien, erop te wonen en zich ervan te voeden, maar haar ook te vormen.
Wat is er niet allemaal uit voortgekomen... een gevoel van superioriteit dat ons al lang heeft doen vergeten dat we deel uitmaken van de natuur. Datzelfde brein heeft zelfs zijn eigen goden geschapen en voor deze waanbeelden de prachtigste kerken, moskeeën, synagogen en tempels opgericht, in de hoop dat ze daar tot leven zullen komen. … En als alle gebeden niet helpen, moet de medemens die in een ander of geen waanverhaal gevangen zit, om zeep geholpen worden.
Men kan niet anders dan zich afvragen: wanneer is het misgegaan? Misschien toen het werktuig zich tot meester maakte en een bestaan in beelden verkoos boven het werkelijke leven? Als we daar nuchter bij stilstaan en de feiten onder ogen zien, wordt ons dan niet pijnlijk bewust dat er maar heel weinig echt levende mensen op deze mooie aarde rondwandelen? Dat de overgrote meerderheid gevangen zit in een voortdurende herhaling van het verleden?
We zien dat evolutie de rups alleen tot een 'superrups' kan maken; voor een werkelijke verandering die een gedaantewisseling van rups naar vlinder tot stand brengt, moet de hele beweging van het denken worden gezien en op die manier eindigen...
Kunnen we dit alles aanvaarden — niet als een nieuw denkbeeld of een theorie, maar door het werkelijk als een feit te beseffen? Alleen dan is er de kans op orde in het eigen huis van het denken: ons brein, onze hersenen. Alleen een diep besef, een waarlijk inzicht in de eigen beperking, laat het denken tot rust komen. Die rust betekent het einde van verdeeldheid en conflict, waarmee tegelijkertijd een einde komt aan de mateloze energieverspilling...
Nu... wat verandert er als we werkelijk beseffen, werkelijk heel helder zien dat denken en tijd een illusie zijn? En dat dienovereenkomstig wat wij met trots of pijn omschrijven als ‘mijn leven’ alleen maar een dood denkbeeld is, opgeslagen in onze hersenen? Net als de vele denkbeelden zoals ‘mijn vrouw’, ‘mijn kind’ of ‘mijn toekomst’... zien we dan tegelijkertijd net zo helder dat het enige wat werkelijk is, het nu — het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient — is...?
Zien we dan misschien nu ook meteen dat de vraagstellers hun vragen vanuit denkbeelden hebben gesteld… en dat de vragen van geen betekenis meer zijn als we werkelijk ontwaakt zijn uit de droomwereld van denken en tijd? Zelfs de vraag die dan rijst: ‘Kunnen twee denkbeelden een relatie hebben; kunnen twee mensen elkaar ooit werkelijk levendig ontmoeten zolang de illusie van de denkbeelden niet doorzien is?’ ... zelfs die vraag is dan geen vraag meer, maar een inzicht...
Het nu is het zich voortdurend en onophoudelijk vernieuwende geheel dat we leven noemen… het is het enige wat werkelijk is.
De laatste vraagsteller vroeg naar een mogelijk ‘hoe’... naar een nieuw denkbeeld, nietwaar? Ga niet in de val, maar vraag je af: is handelen vanuit denkbeelden wel werkelijk handelen? Of blijft het slechts een herhalen van het verleden in een aangepaste vorm?
Werkelijk handelen is één enkele beweging van zien en doen, voortkomend uit ontwaakte intelligentie. Dit ontwaken gebeurt op het moment van inzicht in alles wat we hier besproken hebben. We kunnen dit inzicht niet uitnodigen, niet oproepen; het is niet te koop en niet door enige vorm van inspanning te bereiken. Niemand kan het ooit bezitten; wij kunnen er alleen deel van zijn. Het geheel omvat het deel, maar het geheel kan nooit huizen in de beperkte ruimte van het deel...
~~
De verkenning was gedaan, de tekst geschreven… Wat heeft een vraagsteller aan een antwoord als hij of zij de vraag niet zelf doorgrondt, zo diep dat de vraag zichzelf onthult en oplost? Alleen als we zelf zien wat is, verdwijnt de vraag. Een vraag stellen en van een ander een antwoord verwachten, is de ontkenning van vrijheid; het is het leiden — of veelmeer het lijden — van een droevig bestaan in afhankelijkheid… Samen een vraag verkennen en de essentie ervan blootleggen is iets heel anders… het is het zonder haast, stapje voor stapje blootleggen van de waarheid. Zelfs bij schriftelijke communicatie doen schrijver en lezer het feitelijk op hetzelfde moment; tenminste als beiden werkelijk serieus te werk gaan. … Ik vraag me af of eenieder dat werkelijk kan zien.
Sinds dagen scheen voor het eerst de zon en het zou zonde zijn geweest om niet naar buiten te gaan. Je liep het bosje in en voelde je meteen verwelkomd door je in een prachtig licht gehulde grote vrienden; waardig en toch volledig open zoals altijd, genoten ook zij van de warmte van de zon die vanaf een strakblauwe hemel, met slechts een paar snel trekkende witte wolkjes erop, op alles neerkeek… wat is de aarde toch mooi, een pracht van licht en kleur.
Licht en duister hebben absoluut niets met elkaar gemeen. Licht is er als de duisternis verdwijnt. De duisternis van de mens verdwijnt als hij de muren die hem in het duister gevangen houden neerhaalt door te zien wat is. Die muren zijn de door het denken zelfgeschapen denkbeelden.
‘Licht in het duister brengen’ is een leugen van de priester die we accepteren omdat we hem al duizenden jaren voorgeschoteld krijgen. Zijn we ons er werkelijk van bewust dat ons bewustzijn uiteindelijk niet van ons privé is? Bewustzijn is denken, en denken is kennis en ervaring uit het verleden; het overgrote deel ervan is aan ons doorgegeven, deels al sinds duizenden jaren, zonder dat de waarheid ervan ooit nog eens bevraagd wordt. De priester, de politicus, de opvoeders, zelfs de ouders van het geliefde kind verkopen de oude beelden onder het toch zo mooi klinkende woord ‘traditie’ — maar kijken we naar de oorsprong van het woord, dan onthult het zijn afschuwelijke hypocrisie... de graag getoonde betekenis is ‘geven’, ‘doorgeven’, ‘overhandigen’... maar er is nog een tweede: ‘verraad’...
Traditie betekent dus letterlijk de dode beelden van het verleden in stand houden en is bijgevolg een verraad aan het nieuwe, aan de waarheid die het leven zelf is. Beseft de traditionalist – in welke vermomming hij ook verschijnt – dat hij de vrijheid, de waarheid en het leven opoffert voor… ja, voor wat eigenlijk,… een bestaan in herhaling? Hij ontkent de schoonheid van het sterven aan het verleden. Maar zonder dat sterven aan het verleden is een helder wakker zijn in het nu — het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient — absoluut onmogelijk, en is de toekomst verdoemd het verleden voortdurend te herhalen.
Het bosje achter je latend en luisterend naar de vrolijke stemmen van de vogels en het kabbelen van het riviertje, liep je via het witte houten bruggetje het park in. Direct achter de brug zag je zes prachtige appels aan de kant van het pad op het dikke dek van bruine bladeren liggen. Je vroeg je af hoe ze daar terecht waren gekomen en meteen merkte je hoe meer en meer gedachten opkwamen...
Het zien van de appels bracht de herinnering naar boven aan een klein meisje en haar moeder op een bankje in een ander park. Het meisje was een echte kleine vrijgeest, die haar meer en meer gefrustreerd rakende moeder niet wilde volgen in de uitleg hoe ze de appels — die ze waarschijnlijk kort tevoren samen geplukt hadden — moest tellen. Voor het slimme meisje was het veel belangrijker en interessanter om elke appel nauwkeurig te bekijken en te beschrijven. Ze wees volhardend op elk klein verschil en vroeg bijna meelijdend: ‘Zie je dat dan niet?’...
Wat zou er van haar geworden zijn? Is ze een vrij mens gebleven die nog altijd in het licht van de onmetelijke ruimte van de geest leeft, of is zij uiteindelijk bezweken onder de druk van opvoeding en onderwijs en — zoals de meesten — gevangen geraakt in het beperkte, duistere gedeelte van de geest dat we het verstand noemen?
Een vrij mens is vrij van denken… hij is vrij van vooroordeel en oordeel over iets of iemand; hij ziet simpelweg wat is... En feit is dat het verstand — het denken — als een deel in het geheel van de geest een briljante, nuttige en waardevolle werktuiglijke functie heeft.
Het wateroppervlak van het vijvertje was nog bijna één volledige ijslaag; alleen aan de rand van het kleine eilandje was het al gesmolten, tot vreugde van de vele eendjes. Het denken was door het zien van zijn eigen doen stilgevallen. Het was prachtig om zo om het verstand gebracht – vrij van gedachten – naar al die schoonheid te kijken, niet naar iets specifieks en totaal zonder doel... alleen kijken, zien, waarnemen in een staat van zijn. We kunnen het volledige aandacht of meditatie noemen; … de naam, de benoeming, de woorden doen er niet toe… vraag nooit ‘hoe’; doe het, zie het… ‘het andere’ is er wanneer alles op zijn eigen, juiste plek valt… ‘het andere’ is niet iets mysterieus en je moet er niets mysterieus van maken; en juist geen nieuwe god of autoriteit van maken… alleen als er een einde komt aan alle goden, aan alle autoriteiten, is er de kans dat ‘het andere’ er is… en als het er is, zijn alle woorden, hoe mooi of diepzinnig dan ook, van geen enkele betekenis meer… woorden zijn slechts wegwijzers… als ze hun werk hebben gedaan, zijn ze van geen enkel belang of waarde meer… en eerst dan…
~
…terug thuis en alles opgeschreven, sta je voor een momentje heel stil op je veranda en zie je hoe de dag met een heerlijke zonsondergang, die de hemel in een pracht van licht en kleur laat verschijnen, afscheid neemt… je zult het nooit meer zo zien; het was…
Ik vraag me af of we de hele lange reis van verkenning werkelijk samen zijn geweest… kun je naar iets of iemand kijken zonder er een naam aan te geven, zonder de behoefte het te beschrijven in je gedachten? … simpelweg zien wat is...