ontmoetingen... 08
Het lange, bijna lijnrechte bospad was hem zeer vertrouwd; hij had het waarschijnlijk al honderden keren bewandeld en toch was het voor hem elke keer nieuw en vol verrassingen. Want elke keer keek hij met frisse, jonge ogen en een open geest; hij was altijd aandachtig en geïnteresseerd aanwezig. Vol belangstelling voor de schoonheid van de oude bomen en struiken, de steeds veranderende bloemen met hun prachtige kleuren en geuren en de vogels in hun vlucht; en natuurlijk niet te vergeten het voortdurend veranderende spel van licht dat alles omsluit, kleurt en tot leven brengt. En net zo graag luistert hij naar alle geluiden: de wind in de boomtoppen, het kraken van de wiegende boomstammen, de verschillende heldere, onschuldige roepjes van de vogels, het gesis van kevers in het gras en nog zoveel meer... het is allemaal zo veelomvattend dat het niet in woorden te beschrijven is.
In de verte verscheen een man. Hij had geen bagage bij zich, maar leek toch zwaar beladen. Dat was meteen te merken aan zijn manier van lopen – niet alleen aan zijn houding, maar ook aan zijn blik, die meer op de grond gericht was dan op de prachtige omgeving. Toen de man dichterbij kwam, zag hij zijn gesloten, afwezige gezicht. De man was teruggetrokken, in gedachten verzonken – of moeten we zeggen ‘verdronken in gedachten’, wat nauwkeuriger zou zijn. De onzichtbare last die de man met zich meedroeg, was bijna tastbaar. Ze zouden elkaar zijn gepasseerd zonder dat de man het had gemerkt. Misschien zou de man hem wel hebben gegroet, zonder hem echt te zien.
Het lot wilde dat de man vlak voordat hun paden elkaar kruisten, op een bankje ging zitten. Het gebeurde zelden dat hij uit zichzelf op mensen afstapte, maar voor deze man die zo afgesloten was van de wereld, maakte hij een uitzondering. Waarom, dat weet hij niet. Misschien wilde hij hem uit zijn mentale gevangenis lokken die hij zelf had gecreëerd, uit zijn zelfisolatie. Dat was zeer waarschijnlijk de reden.
Hij zei: ‘Is het niet geweldig om hier in dit prachtige bos te wandelen? Vanaf je bankje heb je een prachtig uitzicht op de indrukwekkende boomtoppen. Ze zijn vandaag extra mooi, in het avondlicht, tegen zo'n strakblauwe lucht. Vind je niet?’
De man keek omhoog, volgde zijn blik naar de hemel en zei: ‘Mijn dokter zegt dat ik veel in het bos moet wandelen. Het bos zal me helpen genezen. Wetenschappelijk onderzoek en studies hebben aangetoond dat boslucht verschillende kwalen kan verlichten of zelfs genezen. Ik heb een studie gelezen die zelfs positieve resultaten bij kankerpatiënten documenteerde. … Het klinkt misschien vreemd, maar de geneeskunde kan dit wetenschappelijk onderbouwen.’
Hij keek de man aan en zei: ‘Dat geloof ik graag, maar om het bos de kans te geven je te genezen, moet je daadwerkelijk in het bos zijn.’
‘Wat bedoel je?’
‘Het is niet genoeg om alleen je lichaam mee te nemen naar het bos. De hele mens moet er zijn. Je moet er zijn met je hele wezen, met je hart en je geest. Alleen je vele gedachten, je verstand, kunnen en mogen thuisblijven. … Pas wanneer je de schoonheid van het bos en de bomen ten volle waarneemt, ze met al je zintuigen en zonder afleiding gadeslaat, kunnen ze een verbinding met je aangaan, en pas dan is heling mogelijk. Het is geen toeval dat het woord ‘heling’ is afgeleid van 'heel zijn', wat 'één zijn' betekent. Eén zijn in de zin van één zijn met de natuur, dat wil zeggen met het leven.’
‘Je denkt dat ik zweverig ben. Ik snap het... wat zou je anders vinden van iemand die het bos in gaat om te genezen? Maar dit is echt serieus. Mijn arts is een serieuze arts én mens; geen natuurgeneeskundige of zoiets.’
‘Nee, beste man, ik meende alles wat ik zei. Misschien kun je nog eens terugkijken op wat ik heb gezegd, zonder enige vooringenomenheid, zonder enige mening. Als je wilt dat het bos je helpt, moet je een band opbouwen met het bos, met de bomen. … De natuur vraagt niets terug; ze gedraagt zich niet zoals de meeste mensen. Ze verwacht gewoon je onverdeelde aandacht, en dan deelt ze al haar schoonheid en helende kracht met je.’
‘Misschien wist mijn dokter niet wat hij met me aan moest en wilde hij dit experiment doen. Wat je zegt is waarschijnlijk voor een bepaald soort mensen die erin geloven. Maar ik denk niet dat het voor mij is. Ik geloof niet in al die vage dingen... vat het niet verkeerd op... Ik bedoel dit praten met de bomen, naar ze luisteren, enzovoort.’
‘Waarom zou ik? Het is jouw leven, jouw beslissing. Ik wens je het allerbeste... Nu je toch al in het bos bent, misschien probeer je dan toch eens gedachteloos hier te zijn, naar de bomen te kijken, te luisteren naar de mooie geluiden en te genieten van de prachtige lucht.’
‘Ik blijf hier maar nog een poosje zitten, na te denken.’
Hij liep verder in de richting waar de man vandaan kwam. Toen hij het pad verliet, keek hij om; de man zat niet meer op het bankje en was niet meer te zien … dus was de man verder gegaan, het bos in. ... Misschien zouden ze toch nog vrienden worden... de man en de bomen…
Door zich uitsluitend op het intellect te richten – op alle kennis, al het denken – scheidt de mens zich af van het leven, van zijn natuurlijke bestaan op aarde. Alleen als de mens als één geheel wordt beschouwd – lichaam en geest – kan de natuurlijke intelligentie ontwaken en tot bloei komen. De geest omvat meer dan het intellect, meer dan alleen het denken. Intelligentie kan het intellect gebruiken, maar het intellect kan intelligentie nooit doen ontwaken, controleren of gebruiken. Het geheel past niet in het fragment. Om het geheel – de intelligentie – te laten ontwaken, moet het fragment – het intellect, het denken – zich bewust worden van zijn eigen beperkingen en grenzen. En dat is alleen mogelijk als je volledig begrijpt hoe het denken werkt. Om dat te doen, moet je het denken – dat wil zeggen elke gedachte die in je opkomt – aandachtig, heel zorgvuldig en onpartijdig gadeslaan.