al-één-zijn... een verkenning
… Wat ik zeg is:
Neem het alleen maar waar, zonder ‘ja’ of ‘nee’ tegen te zeggen, zonder te oordelen, zonder het te vergelijken met wat je weet of denkt te weten. Sla het gewoon gade en luister naar jezelf, voel wat bij je opkomt en wat er gebeurt.
al-één-zijn... een verkenning
al-één-zijn... 01
Het was de helderblauwe hemel die met een dunne laag witte wolkjes bedekt was, maar het zag eruit alsof het wolkendek de hemel was die zich opende, zodat je een glimp mocht opvangen van iets dat onmetelijk, oneindig en eeuwig is. Aan de rand van de opening was een helder licht, waardoor de witte binnenrand van de wolk helder straalde. Onder de prachtige hemel gleed je blik over een kring van schitterende bomen, als omheining van een open plek die een grasveld was. Alles bewoog heel harmonisch, vol leven: de grote wolk, het licht, de boomtoppen en het gras. En ook het kleine ree dat opeens heel voorzichtig uit het bosje stapte en waakzaam om zich heen keek. Het merkte je op. Jij die in je eentje in de comfortabele uitkijkpost zat en deel uitmaakte van het hele tafereel en gebeuren. Het ree wist, omdat het het voelde, dat er van jou geen gevaar uitging en zette zijn weg rustig voort. Op een mooi door de zon verlicht plekje begon het te eten.
Tot dit geheel behoorden ook alle geluiden van de wind en het gezang van de vele vogels, en de geluiden die ze maakten als ze door de boomtoppen fladderden. En ook de ene bij die met haar luide gezoem haar weg vond in de hut, een rondje vloog en weer verdween.
Opeens klonk het geluid van een trein door de stilte. Het werd natuurlijk meteen opgemerkt door het ree, de vogels en jezelf. Een spoorlijn loopt vlak langs het bos, dus de geluiden zijn voor het bos en zijn bewoners bekend en vertrouwd. Ze horen erbij.
Een moment later hoorde je voetstappen en bewegingen van een mens onderaan de trap van de hut; ze klonken onrustig. Het ree keek op en de geluiden van de vogels namen af… en jezelf leidden ze weg uit het bewuste zijn in het hier en nu… naar een mailtje dat je iemand stuurde met de vraag: ‘Volgens mij beweer je dat de goden van de religies slechts hersenspinsels van de mens zijn en dus niet bestaan, maar je beweert niet dat er geen God bestaat!?… Wat denk jij: bestaat er één God? Een God die niets te maken heeft met de goden van de mens? Een God die Liefde is?’
Je had het gevoel dat deze communicatie tot niets zou leiden, of dat het juist het beginpunt van een langdurige verkenning zou kunnen zijn. Waarom dat gevoel er was, wist je niet, maar die avond schreef je:
‘Wat heb jij eraan te weten te komen wat ik denk? Het enige van betekenis voor jezelf – en alleen dat is van belang – kan en moet zijn dat jij alleen de waarheid ziet en nooit volgt wat iemand anders je vertelt.*
Als je – wat dan ook – wilt weten, moet je zelf op onderzoek uitgaan. En een serieus onderzoek is alleen mogelijk als je begint met een open geest, die vrij is van elke mening, die niet geïnteresseerd is in een specifieke uitkomst en die begint met te zeggen: ik weet het niet.**
* Elke mening, geloof of hoe je het ook mag noemen – volledig onbelangrijk of je nu zegt ‘ik denk van wel’ of ‘volgens mij helemaal niet’ – is een ontkenning van de waarheid; sterker nog: het maakt het zien van de waarheid onmogelijk.
** Dit niet-weten is een feit. En een feit is de waarheid… zie je de schoonheid ervan? … Als je de waarheid wilt zien – niet vinden, dat is onmogelijk – moet je beginnen vanuit wat feitelijk is. Zie je de waarheid hiervan?'
al-één-zijn... 02
‘Eindelijk ben ik niet meer alleen,’ vertelde hij. ‘Mijn oude geliefde is nu mijn nieuwe vrouw.’ Hij had haar jaren niet gezien, maar toen zijn huwelijk een tijdje geleden vastliep, kwamen ze elkaar toevallig weer tegen. ‘We voelden ons allebei verloren en eenzaam... we konden niet tegen het alleenzijn. We zijn zo blij dat we elkaar weer hebben gevonden.’
‘Je weet niet eens wat alleenzijn betekent,’ was het antwoord. ‘Alleenzijn is de schoonheid van het leven; onverdeeld, vrij van verleden en toekomst. Als je niet alleen kunt zijn, zul je het probleem van eenzaamheid nooit oplossen; jullie ontvluchten beiden je eigen eenzaamheid. Gevangen in de oude droom dat samenzijn eenzaamheid verdrijft... In werkelijkheid is de pijn slechts weggestopt onder een laagje afleiding en plezier, plezier dat geen ware vreugde is. Ware vreugde is spontaan en aan niets gebonden... vrij van tijd en denken. Als je goed naar je innerlijke stem luistert, zul je weten dat je altijd bang bent uit deze droom te ontwaken.’
‘Het voelt inderdaad als een droom,’ zei de man, ‘als ware liefde. En als je echt van iemand houdt, wil je diegene nooit meer kwijtraken… dus ja, de angst voor een einde of verlies hoort bij de liefde. Of zie je dat niet zo?’
‘Is een eenzame man niet de smart van de wereld? Hij is nooit alleen... nooit vrij van zijn verlangens, hunkeringen en angsten. Is er liefde als er verlangens, hunkeringen en angsten zijn? Moet je niet eerst helemaal vrij zijn van dat alles, om op die manier volledig alleen — niet eenzaam — oog in oog met het leven te staan... zonder enige behoefte aan afleiding, hulp of bevrediging van welke aard dan ook?’
‘Ik denk dat ik niet helemaal begrijp wat je bedoelt.’
‘In een staat van alleenzijn — volledig vrij van elke verwachting van iets of iemand — ontdek je misschien een nieuwe geliefde: de essentie van het leven, de geur van het leven... liefde die je werkelijk liefde kunt noemen. Niet twee delen die één willen worden, maar twee deeltjes die deel uitmaken van het geheel en elkaar ontmoeten in een besef van tijdloosheid...’
‘Als ik ernaar luister, lijkt het waar,’ gaf de man toe, ‘maar dan wordt “mijn” liefde klein en betekenisloos... maar dat is alles wat ik heb, al mijn geluk... wil ik wel meer?’
‘Is liefde bezit? Ik vraag me af: waarom spreek je van “mijn liefde”? Als er sprake is van “mijn”, is er sprake van verdeeldheid... en waar verdeeldheid is, staat de deur open voor conflict.’
‘Als je het zo ziet en dat nastreeft, blijf je waarschijnlijk altijd alleen!?’
‘Ik hoop het... is er leven, is er liefde in een mens die streeft? Of is werkelijk leven niet eenvoudigweg liefhebben wat is... en wat is, is dat niet het eeuwig stromende, het zich voortdurend veranderende leven...?’
‘Ik weet niet of ik dat werkelijk tot me wil laten doordringen... het gaat mijn wereld te boven... misschien praten we een ander keer verder... ik moet daar eerst rustig over nadenken.’
‘Zoals je wilt.’
~~
Woorden zijn slechts een werktuig. Het is essentieel te ontdekken wat achter de woorden schuilgaat, de essentie te verkennen waarheen zij wijzen...
Woorden, hoe nauwkeurig ook gekozen, zijn slechts een verwijzing. De verwijzing is nooit de bestemming zelf. Het woord ‘lezer’ is immers niet de mens die nu deze woorden ziet; het woord is slechts een etiket. Zijn we ons van dit feit wel écht bewust?
Als we denken en dan zeggen: ‘Mijn liefde’, is dat beeld dat in ons opkomt niet de levendige persoon naar wie het verwijst. Het is letterlijk een denk-beeld, opgebouwd door het denken zelf — het denken dat het verleden is. Het denken kan daardoor niet anders dan de in de hersenen opgeslagen ervaringen met en kennis over die persoon gebruiken. Begrijpen we dat we op die manier uiteindelijk altijd naar een denkbeeld kijken en niet naar de levendige mens?
Juist om al deze redenen is het van groot belang dat we bij elk woord een gezamenlijk en precies begrip hebben.
Het woord ‘liefde’ heeft niets te maken met werkelijk liefhebben; het is een sterk voorbeeld van iets wat niet onder woorden te vangen is, nietwaar?
Elke omschrijving is slechts een wenk. Pas als wij iets echt beleven, weten we wat het werkelijk is. En dan zijn er geen woorden meer nodig en zien we misschien dat zij die zeggen dat ze iets weten, helemaal niets weten...
Alleenzijn... om de schoonheid van werkelijk alleenzijn te begrijpen, moeten we de essentie ontdekken die achter dit woord schuilgaat. De letterlijke betekenis is al-één-zijn. Dat betekent niet 'het eens zijn' in de zin van accepteren — want accepteren is een daad van het denken. Al-één-zijn gaat het denken te boven; het betekent begrijpen, doorzien, waarnemen op het diepste niveau, dat wil zeggen met de volledige energie van je hele wezen.
We zien nu dat werkelijk alleenzijn volledig losstaat van de plek waar je bent of het aantal mensen om je heen. Je kunt je in volledige afzondering begeven en toch niet alleen zijn, zolang je de gevangene bent van de door het denken geschapen denkbeelden.
Werkelijk alleenzijn, in de betekenis van al-één-zijn, is dus vrij zijn van de dwang van het denken. Niet 'vrij van' in de zin van ontsnapping, maar de absolute vrijheid om te zien wat is... het doorzien van de werkwijze van het denken. Het is het herkennen van het denken als de schepper van tijd in de vorm van verleden en toekomst; net als het inzien dat begeertes, verlangens en gehechtheden — en zelfs de 'denker' zelf — slechts illusies van het denken zijn.
Kun je dat alles doorzien en achter je laten — niet door strijd, maar door het pure besef dat inzicht is — en het denken toch gebruiken wanneer de praktische noodzaak daarom vraagt? Dan ben je werkelijk een vrij mens.
Zien wat is, zonder meer... dat is ware vrijheid. Het laat je ontwaken in het hier en nu; het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient.
Leven is. Het is niet mijn leven of jouw leven... het is één ondeelbaar leven dat we delen met alle uitingsvormen die er zijn. Wij zijn slechts manifestaties van het ene grote ‘iets’ dat we leven noemen; dat noch begin noch einde heeft, en dat nooit te vangen of te meten is in maten van denken en tijd.
Om de volle betekenis van dit alles te beseffen, moet het denken zijn eigen beperkingen en grenzen onder ogen zien, ze werkelijk doorgronden en op die manier stilvallen... In deze staat van innerlijke stilte, die al-één-zijn is, ontdek je misschien... het andere. Het andere dat geen naam nodig heeft. Misschien is het juist omschreven met liefde, liefde in de diepste betekenis van het woord; liefde die een intelligentie laat ontwaken die geen woorden behoeft, omdat ze denken en tijd volledig ontstijgt...
al-één-zijn... 03
‘De volgende vragen kwamen boven...
“Is deze liefde voor het leven genoeg om de menselijke behoefte aan warmte en een fysieke ander volledig te vervangen, of is het een fundament van waaruit je de ander pas echt kunt zien?”
“Is het voor de menselijke hersenen überhaupt mogelijk om een langdurige relatie te hebben zonder beelden op te bouwen, of moeten we die beelden simpelweg elke dag opnieuw laten 'sterven' om de ander weer fris te ontmoeten?”
“Hoe ziet die intelligentie eruit in het dagelijks leven? Hoe handelt iemand die niet vanuit het verleden (het denken) reageert, maar vanuit die woordeloze intelligentie?”
Om welke redenen stellen we een vraag? Om een antwoord te krijgen? Wat hebben we aan de woorden van iemand anders? Schuilt het antwoord niet misschien in de vraag zelf? Misschien is het goed om, voordat we de vragen samen verkennen, de vragen zelfs nog eens te lezen; heel zorgvuldig naar elke vraag op de juiste manier luisteren...
Luisteren we ooit werkelijk op de juiste manier naar iets of iemand? Juist in de betekenis: met volle aanwezigheid en aandacht voor het geheel? Het geheel bestaat niet alleen uit de woorden die we horen of lezen; het omvat ook elke gedachte, elke emotie en elk gevoel dat in onszelf opkomt. Zijn we ons er eigenlijk van bewust dat we bijna onophoudelijk in gesprek zijn met onze eigen gedachten, emoties en gevoelens? … Neem het nu eens bewust waar... je luistert naar de schrijver en tegelijkertijd naar jezelf. …
Ik weet niet of we ons daar altijd volledig van bewust zijn, maar alleen als we dit alles heel aandachtig zien, begrijpen we hoe ons bewustzijn — onze herinneringen, ervaringen en kennis — ons belet om het nieuwe onbevooroordeeld waar te nemen. Hoe meer we ons hiervan bewust worden — zonder het te veroordelen of te onderdrukken — hoe stiller het wordt, omdat het denken zijn eigen beperkingen inziet... En hoe stiller het is, hoe meer luisteren we op de juiste manier; dat wil zeggen, naar wat is, zonder het nieuwe onbewust meteen te verklaren in termen van het verleden, gewoonten of oordelen.
Heb jij op die manier naar onze drie vragen geluisterd? …
Zien we dan misschien dat wanneer we nu samen op reis gaan en verkennen wat liefde is, of liefde en denken ooit kunnen samengaan en welke rol de dood — of veel meer het sterven — speelt, de vragen verdwijnen omdat het antwoord zich vanzelf onthult?
En misschien vangen we nu al de eerste glimp op en vragen we ons af… zijn leven, liefde en sterven misschien zelfs onlosmakelijk met elkaar verbonden?
‘Ik’... wat is dat uiteindelijk, wat wij ‘ik’ noemen? Laten we ons eens afvragen of we werkelijk begrijpen wat het ‘ik’ — de denker die de vragen stelt — psychologisch gezien in feite is. … Staat de denker werkelijk los van het denken?
Het denken heeft zich opgesplitst in twee identiteiten en daarmee een innerlijk conflict geschapen: het denken dat zich in de vorm van de denker (het ‘ik’) afvraagt of het wel juist denkt, of het 'goed' is en of het iets beters kan worden. In werkelijkheid is er alleen een denkgebeuren dat onophoudelijk met zichzelf in discussie is; gedreven door de behoefte om orde te scheppen in het eigen huis — ons brein, onze hersenen — schept het juist meer en meer wanorde door het denkbeeld van de denker in stand te houden.
Denken is tijd. Het einde van de psychologische tijd zou het einde betekenen van de door het denken geschapen beelden. Het denken beweegt zich voortdurend in de illusie van verleden – heden – toekomst; het hier en nu — het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient — wordt door het denken slechts gebruikt als werkplaats.
Het ‘heden’ van het denken is niet het nu; als het denken werkelijk stilstaat in het nu, is het stil en dus niet meer aanwezig.
Het denken heeft zijn eigen gecreëerde, meetbare ruimte — de tijd — maar kan de onmetelijke ruimte van het nu niet binnengaan. Het meetbare kan het onmeetbare nooit ontmoeten.
Denken is altijd het verleden; altijd oud. De illusie die het denken ‘toekomst’ noemt, heeft zijn oorsprong altijd in het verleden. Het denken kan alleen gebruikmaken van in de hersenen opgeslagen kennis en ervaring, en op basis daarvan een beeld van de toekomst projecteren. Als we dit feit werkelijk beseffen, zien we meteen dat de toekomst het verleden blijft — hooguit in een licht gewijzigde vorm.
Geloof het niet zomaar, neem niets aan alleen omdat iemand het zegt; kijk zelf eens goed naar de geschiedenis van de mens. Net als de rest van de natuur was hij kwetsbaar; onder de voeten van de wilde dieren bijna even licht te verpletteren als een grassprietje in de wei. Tot zijn zegen, of misschien ook zijn vloek, was er een klein maar cruciaal verschil… zijn buitengewone brein, de fysieke plaats waar zijn briljantste werktuig, het denken, huist. Het brein dat hem in staat stelt de wereld niet alleen te zien, erop te wonen en zich ervan te voeden, maar haar ook te vormen.
Wat is er niet allemaal uit voortgekomen... een gevoel van superioriteit dat ons al lang heeft doen vergeten dat we deel uitmaken van de natuur. Datzelfde brein heeft zelfs zijn eigen goden geschapen en voor deze waanbeelden de prachtigste kerken, moskeeën, synagogen en tempels opgericht, in de hoop dat ze daar tot leven zullen komen. … En als alle gebeden niet helpen, moet de medemens die in een ander of geen waanverhaal gevangen zit, om zeep geholpen worden.
Men kan niet anders dan zich afvragen: wanneer is het misgegaan? Misschien toen het werktuig zich tot meester maakte en een bestaan in beelden verkoos boven het werkelijke leven? Als we daar nuchter bij stilstaan en de feiten onder ogen zien, wordt ons dan niet pijnlijk bewust dat er maar heel weinig echt levende mensen op deze mooie aarde rondwandelen? Dat de overgrote meerderheid gevangen zit in een voortdurende herhaling van het verleden?
We zien dat evolutie de rups alleen tot een 'superrups' kan maken; voor een werkelijke verandering die een gedaantewisseling van rups naar vlinder tot stand brengt, moet de hele beweging van het denken worden gezien en op die manier eindigen...
Kunnen we dit alles aanvaarden — niet als een nieuw denkbeeld of een theorie, maar door het werkelijk als een feit te beseffen? Alleen dan is er de kans op orde in het eigen huis van het denken: ons brein, onze hersenen. Alleen een diep besef, een waarlijk inzicht in de eigen beperking, laat het denken tot rust komen. Die rust betekent het einde van verdeeldheid en conflict, waarmee tegelijkertijd een einde komt aan de mateloze energieverspilling...
Nu... wat verandert er als we werkelijk beseffen, werkelijk heel helder zien dat denken en tijd een illusie zijn? En dat dienovereenkomstig wat wij met trots of pijn omschrijven als ‘mijn leven’ alleen maar een dood denkbeeld is, opgeslagen in onze hersenen? Net als de vele denkbeelden zoals ‘mijn vrouw’, ‘mijn kind’ of ‘mijn toekomst’... zien we dan tegelijkertijd net zo helder dat het enige wat werkelijk is, het nu — het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient — is...?
Zien we dan misschien nu ook meteen dat de vraagstellers hun vragen vanuit denkbeelden hebben gesteld… en dat de vragen van geen betekenis meer zijn als we werkelijk ontwaakt zijn uit de droomwereld van denken en tijd? Zelfs de vraag die dan rijst: ‘Kunnen twee denkbeelden een relatie hebben; kunnen twee mensen elkaar ooit werkelijk levendig ontmoeten zolang de illusie van de denkbeelden niet doorzien is?’ ... zelfs die vraag is dan geen vraag meer, maar een inzicht...
Het nu is het zich voortdurend en onophoudelijk vernieuwende geheel dat we leven noemen… het is het enige wat werkelijk is.
De laatste vraagsteller vroeg naar een mogelijk ‘hoe’... naar een nieuw denkbeeld, nietwaar? Ga niet in de val, maar vraag je af: is handelen vanuit denkbeelden wel werkelijk handelen? Of blijft het slechts een herhalen van het verleden in een aangepaste vorm?
Werkelijk handelen is één enkele beweging van zien en doen, voortkomend uit ontwaakte intelligentie. Dit ontwaken gebeurt op het moment van inzicht in alles wat we hier besproken hebben. We kunnen dit inzicht niet uitnodigen, niet oproepen; het is niet te koop en niet door enige vorm van inspanning te bereiken. Niemand kan het ooit bezitten; wij kunnen er alleen deel van zijn. Het geheel omvat het deel, maar het geheel kan nooit huizen in de beperkte ruimte van het deel...
~~
De verkenning was gedaan, de tekst geschreven… Wat heeft een vraagsteller aan een antwoord als hij of zij de vraag niet zelf doorgrondt, zo diep dat de vraag zichzelf onthult en oplost? Alleen als we zelf zien wat is, verdwijnt de vraag. Een vraag stellen en van een ander een antwoord verwachten, is de ontkenning van vrijheid; het is het leiden — of veelmeer het lijden — van een droevig bestaan in afhankelijkheid… Samen een vraag verkennen en de essentie ervan blootleggen is iets heel anders… het is het zonder haast, stapje voor stapje blootleggen van de waarheid. Zelfs bij schriftelijke communicatie doen schrijver en lezer het feitelijk op hetzelfde moment; tenminste als beiden werkelijk serieus te werk gaan. … Ik vraag me af of eenieder dat werkelijk kan zien.
Sinds dagen scheen voor het eerst de zon en het zou zonde zijn geweest om niet naar buiten te gaan. Je liep het bosje in en voelde je meteen verwelkomd door je in een prachtig licht gehulde grote vrienden; waardig en toch volledig open zoals altijd, genoten ook zij van de warmte van de zon die vanaf een strakblauwe hemel, met slechts een paar snel trekkende witte wolkjes erop, op alles neerkeek… wat is de aarde toch mooi, een pracht van licht en kleur.
Licht en duister hebben absoluut niets met elkaar gemeen. Licht is er als de duisternis verdwijnt. De duisternis van de mens verdwijnt als hij de muren die hem in het duister gevangen houden neerhaalt door te zien wat is. Die muren zijn de door het denken zelfgeschapen denkbeelden.
‘Licht in het duister brengen’ is een leugen van de priester die we accepteren omdat we hem al duizenden jaren voorgeschoteld krijgen. Zijn we ons er werkelijk van bewust dat ons bewustzijn uiteindelijk niet van ons privé is? Bewustzijn is denken, en denken is kennis en ervaring uit het verleden; het overgrote deel ervan is aan ons doorgegeven, deels al sinds duizenden jaren, zonder dat de waarheid ervan ooit nog eens bevraagd wordt. De priester, de politicus, de opvoeders, zelfs de ouders van het geliefde kind verkopen de oude beelden onder het toch zo mooi klinkende woord ‘traditie’ — maar kijken we naar de oorsprong van het woord, dan onthult het zijn afschuwelijke hypocrisie... de graag getoonde betekenis is ‘geven’, ‘doorgeven’, ‘overhandigen’... maar er is nog een tweede: ‘verraad’...
Traditie betekent dus letterlijk de dode beelden van het verleden in stand houden en is bijgevolg een verraad aan het nieuwe, aan de waarheid die het leven zelf is. Beseft de traditionalist – in welke vermomming hij ook verschijnt – dat hij de vrijheid, de waarheid en het leven opoffert voor… ja, voor wat eigenlijk,… een bestaan in herhaling? Hij ontkent de schoonheid van het sterven aan het verleden. Maar zonder dat sterven aan het verleden is een helder wakker zijn in het nu — het enige eeuwig voortdurende momentje dat werkelijk de naam 'leven' verdient — absoluut onmogelijk, en is de toekomst verdoemd het verleden voortdurend te herhalen.
Het bosje achter je latend en luisterend naar de vrolijke stemmen van de vogels en het kabbelen van het riviertje, liep je via het witte houten bruggetje het park in. Direct achter de brug zag je zes prachtige appels aan de kant van het pad op het dikke dek van bruine bladeren liggen. Je vroeg je af hoe ze daar terecht waren gekomen en meteen merkte je hoe meer en meer gedachten opkwamen...
Het zien van de appels bracht de herinnering naar boven aan een klein meisje en haar moeder op een bankje in een ander park. Het meisje was een echte kleine vrijgeest, die haar meer en meer gefrustreerd rakende moeder niet wilde volgen in de uitleg hoe ze de appels — die ze waarschijnlijk kort tevoren samen geplukt hadden — moest tellen. Voor het slimme meisje was het veel belangrijker en interessanter om elke appel nauwkeurig te bekijken en te beschrijven. Ze wees volhardend op elk klein verschil en vroeg bijna meelijdend: ‘Zie je dat dan niet?’...
Wat zou er van haar geworden zijn? Is ze een vrij mens gebleven die nog altijd in het licht van de onmetelijke ruimte van de geest leeft, of is zij uiteindelijk bezweken onder de druk van opvoeding en onderwijs en — zoals de meesten — gevangen geraakt in het beperkte, duistere gedeelte van de geest dat we het verstand noemen?
Een vrij mens is vrij van denken… hij is vrij van vooroordeel en oordeel over iets of iemand; hij ziet simpelweg wat is... En feit is dat het verstand — het denken — als een deel in het geheel van de geest een briljante, nuttige en waardevolle werktuiglijke functie heeft.
Het wateroppervlak van het vijvertje was nog bijna één volledige ijslaag; alleen aan de rand van het kleine eilandje was het al gesmolten, tot vreugde van de vele eendjes. Het denken was door het zien van zijn eigen doen stilgevallen. Het was prachtig om zo om het verstand gebracht – vrij van gedachten – naar al die schoonheid te kijken, niet naar iets specifieks en totaal zonder doel... alleen kijken, zien, waarnemen in een staat van zijn. We kunnen het volledige aandacht of meditatie noemen; … de naam, de benoeming, de woorden doen er niet toe… vraag nooit ‘hoe’; doe het, zie het… ‘het andere’ is er wanneer alles op zijn eigen, juiste plek valt… ‘het andere’ is niet iets mysterieus en je moet er niets mysterieus van maken; en juist geen nieuwe god of autoriteit van maken… alleen als er een einde komt aan alle goden, aan alle autoriteiten, is er de kans dat ‘het andere’ er is… en als het er is, zijn alle woorden, hoe mooi of diepzinnig dan ook, van geen enkele betekenis meer… woorden zijn slechts wegwijzers… als ze hun werk hebben gedaan, zijn ze van geen enkel belang of waarde meer… en eerst dan…
~
…terug thuis en alles opgeschreven, sta je voor een momentje heel stil op je veranda en zie je hoe de dag met een heerlijke zonsondergang, die de hemel in een pracht van licht en kleur laat verschijnen, afscheid neemt… je zult het nooit meer zo zien; het was…
Ik vraag me af of we de hele lange reis van verkenning werkelijk samen zijn geweest… kun je naar iets of iemand kijken zonder er een naam aan te geven, zonder de behoefte het te beschrijven in je gedachten? … simpelweg zien wat is...
al-één-zijn... 04
V: Volgens mij wijs je op het cruciale stapje, het momentje wanneer verstand en geest verbinding met elkaar maken. Maar als je zegt dat er geen methode is, ontken je de belangrijkheid het verstand tot rust te brengen en ook de nodige balans tussen verstand, zintuigen, geest, hart en ziel in het lichaam.
N: Zijn we nog aan het verkennen als de een zegt ‘zo is het’ en de ander ‘nee, zo’? Laten we toch stap voor stap kijken naar het complexe wezen van de mens…
V: Ik zeg niet dat het niet juist is wat je zegt; ik wilde alleen erop wijzen dat er meer is. Laat het ons stap voor stap op een rij zetten.
N: Is het belangrijkste niet gewoon te zien wat is? Ik bedoel, we moeten opletten de verkenning — de woorden — niet belangrijker te maken dan het zien…
V: Dat is zeker waar en iets om in gedachten te houden.
N: Mag ik een verhaaltje vertellen voordat we onze verkenning opnemen? …
Een jonge man heeft een nieuwe auto; een werkelijk fraaie en moderne wagen. … als je ermee onderweg bent, is het waarlijk puur rijplezier; hij geniet er enorm van …
Op een dag besluit hij een uitstapje naar zee te maken. Hij heeft alles goed voorbereid en veel gelezen om het leukste plekje te vinden...
Onderweg verbeeldt hij zich al hoe hij langs het strand wandelt, hoe de warme zon op zijn gezicht voelt en het water tegen zijn blote voeten spat. Hij kan bijna het ruisen van de golven horen en de geur van de zee ruiken. Hij glimlacht bij de gedachte die in zijn hoofd draait: dat hij daar het meisje van zijn dromen tegenkomt. Het ritje gaat vlug vooruit, en zijn gedachten beelden het dagje aan zee meer en meer uit.
Op de parkeerplaats aangekomen kan hij de zee al zien, de golven horen... hij stelt de motor af, heeft de klink al in zijn hand en dan... hij is zo verliefd geworden op het rijden in deze auto, dat hij de motor weer start en rijdt en rijdt...
V: De auto is hier de metafoor voor het verstand, nietwaar?
N: Precies.
V: Je zou nooit weten wat de zee — de geest — is als je niet uit de auto — het verstand — stapt.
N: Nee, als de zee als metafoor voor de geest staat, is er nog altijd verdeeldheid. Het uitstappen is de cruciale handeling: het zien van wat is… je kunt de geest niet binnengaan… de geest is vrij wanneer het verstand zijn eigen geschapen beperkingen herkent en dus de herhaling opgeeft…
V: Het uitstappen is dus de verbinding?
N: Nee, ook dat niet. Het zien van zijn eigen beperking en het uitstappen is de handeling… het verstand heeft, als we het zo willen noemen, de rups achter zich gelaten en is de vlinder geworden…
V: Het verstand is opgegaan in de geest... ja, dat is nu heel duidelijk… ik zie nu waarom je zegt dat er geen sprake is van verbinding…
N: Precies. En het is belangrijk te beseffen dat de werktuiglijke functie van het verstand, het denken, natuurlijk volledig beschikbaar blijft.
V: Maar het verstand heeft niet langer de behoefte de leiding op te eisen. … op die manier wordt er geen energie meer verspild aan het instandhouden van beelden. … ja, dat is helder.
…
De zintuigen zijn onderdeel van de geest, dat is een logisch feit. Maar hoe werken ze in de twee verschillende staten? Het verstand in zijn beperktheid maakt immers gebruik van de zintuigen… wat verandert er als het verstand zijn beperking ziet en opgeeft?
N: Dat is zeker een essentieel punt. Zoals je zegt, het verstand maakt alleen gebruik van de zintuigen; dat wil zeggen, hij laat ze niet echt tot bloei komen en hij maakt zo goed als nooit ten volle gebruik van alle zintuigen. Bijna altijd is de focus gericht op slechts één ervan…
V: Een vrije geest laat alles tot volledige bloei komen... tegelijkertijd….
N: Precies: alles … al-één-zijn …
…
Misschien moeten we dan het ‘tot rust komen’ bespreken? … Of zien we misschien nu gewoon dat elk streven, elk hunkeren naar rust, het tot rust komen juist tegenwerkt? Is het niet zo dat het de onrust in stand houdt en zelfs nog versterkt?... Wat niet wil zeggen dat het tot rust komen niet van groot belang is, maar niet door te vechten — of je nu vecht vóór de rust of tégen de onrust, dat maakt trouwens daarbij geen enkel verschil — maar door het zien van wat is; door besef dat inzicht is.
V: Dat was me nu bijna al duidelijk, maar nu ook nog zo helder te zien dat vechten vóór of tégen iets precies hetzelfde is, maakt het inzicht nog duidelijk scherper en belangrijker… met vechten bereik je helemaal niets.
N: Zo is het, dat is juist.
V: Maar voor mij rijst nu zojuist de vraag: ligt dat wat we met 'hart' omschrijven dan niet uiteindelijk ook op het vlak van de geest? Ik bedoel, als we stellen dat een vrije geest al-één-zijn is en alles tot volledige bloei laat komen, bloeien dan niet vanzelf in de geest de attributen en kwaliteiten op die we aan het hart toeschrijven? … We hebben het hier … soms denk ik dat dit niet voor iedereen helder is – natuurlijk niet over het fysieke hart, maar we omschrijven daarmee ja de ‘hart’-kwaliteiten… de diepste gevoelens, niet de gevoelens op de vlakte van het verstand…
N: Ja. … Tussenvraagje: is er echt sprake van gevoelens op de vlakte van het verstand… of zijn dat alleen maar emoties teweeggebracht door het denken? … Zie je dat verstand – denken – en gevoelens nooit samengaan? Gevoelens zijn direct, onmiddellijk, onverdeeld… denken is tijd en kan dit niet; … dus als het denken ertussen komt, is er geen sprake van gevoelens…
V: Dat maakt het heel helder en vaagt elke misvatting weg. …
N: We zijn nu aan het beseffen dat het uitstappen uit het verstand – het momentje waar zien en handelen één zijn – een volledig nieuwe staat van zijn teweegbrengt… nietwaar? … het is ja niet alleen het einde van de innerlijke verdeeldheid, maar tegelijkertijd het besef dat innerlijk en uiterlijk één zijn. Het inzicht: het leven is één, laat het vechten tegen wat of wie dan ook meteen eindigen… en als er geen weerstand en conflict meer is, ontwaken vanzelf de ‘hart’-kwaliteiten… genegenheid voor de natuur, mededogen voor de medemens en liefde voor het leven…
V: Als ik naar deze verandering in de staat van zijn kijk, begrijp ik nu pas echt wat je bedoelt met ‘bewustzijn is iets heel anders dan bewust zijn’…
N: Ja, bewustzijn is een constructie van het verstand, gebaseerd op herinnering, ervaring en kennis uit het verleden; als je zo wilt een dood beeld waarop we ons ‘ik’-beeld hebben gecreëerd enzovoort… bewust zijn is voortdurend bewust leven in het hier en nu…
Ik vraag me af… als we nog eens naar ons verhaaltje kijken en het als volgt verder laten lopen: de jonge man stelt de motor weer af en loopt naar de zee… is hij dan daadwerkelijk uit het verstand gestapt?
V: Je bedoelt dat hij zijn 'auto' — zijn verstand — kan meenemen in zijn hoofd, zelfs als hij fysiek op het strand staat?
N: Helemaal juist! … ik wilde het grote gevaar duidelijk maken dat het verstand – het denken – zichzelf heel graag voor de gek houdt door gewoon weer een nieuw denkbeeld te creëren.
V: Is de valstrik misschien dat we het ‘Nu’ als een punt zien dat te bereiken is…
N: Volgens mij wel, zolang men niet beseft dat het ‘Nu’ helemaal losstaat van de tijd. Tijd is denken in termen van verleden, heden, toekomst… Het ‘Nu’ daarentegen is het eeuwig voortdurende momentje waarin het leven plaatsvindt…
V: En in het ‘Nu’ kun je alleen maar zijn…
N: Aandacht hebben voor alles wat er is… bewust zijn…
V: En voordat jij het nu vraagt… de ziel is ook niets meer dan een denkconstructie waarmee we proberen een beetje meer betekenis aan ons ‘ik’-beeld te geven…
N: Precies. Betekenis aan, of de hoop op, een voortbestaan van het ‘ik’ na de dood…
V: Heel mooi en helder… uiteindelijk blijft nog het lichaam over… het huis van de geest, als je zo wilt het voertuig om de mooie aarde te bewandelen…
N: Voor een vrije geest wel… anders is het waarschijnlijk meer een gevangenis…
V: Helaas, ja…
N: Misschien is het nog interessant zich bewust te maken dat het lichaam zijn eigen intelligentie heeft. Ik bedoel daarmee instincten en reflexen. … ik zie de afgrond en draai meteen om; zien en handelen is één.
V: Je bedoelt dat in elke cel een fysieke intelligentie besloten ligt die reageert zonder dat het denken ertussen komt. Maar kan het niet zo zijn dat het denken in een flits reageert omdat het de afgrond identificeert?
N: Kijk naar de feiten. We hebben gezien: denken kan alleen werken op basis van opgeslagen informatie, toch? … een jongetje van een jaar of zoiets is nog nooit verteld dat een slang gevaarlijk is, maar hij ziet ze en loopt meteen weg… of een baby draait zich weg van de felle zon… dat baby kan nog niet denken, maar reageert instinctief om zijn oogjes te beschermen…
V: Ja, dat is waar… en het betekent dat het menselijk lichaam buitengewoon intelligent is…
N: Ik zou het niet aan het menselijke vastmaken… ik zou zeggen: leven of levende wezens zijn buitengewoon intelligent… kijk naar de bloem… ze sluit haar kelk bij regen… en de bloem heeft niet eens een brein…
V: Wonderen van de natuur…
N: De natuur waar de mens deel van uitmaakt, niet te vergeten…
V: Niet te vergeten, juist…
N: En nu... wat is er gebeurd met jou? Kon jij dat alles stap voor stap helder zien...?
al-één-zijn... 05
Het voetpad was wit van de sneeuw; onschuldig en heel, zover je vanuit je comfortabele plekje achter het raam kon zien… en het zou waarschijnlijk zo blijven… nergens was een mens te bekennen… naast de sneeuw hielden de stevige bries en de dreigende gladheid de mensen binnen…
Je sloot je ogen en in een flits was er ‘het andere’; het andere dat er is als het denken stilvalt… het andere dat één-zijn is, onverdeelde aandacht en waarneming van het geheel… je gesloten ogen keken in een onmetelijke zee van licht en kleur; maar in feite keek je niet met je ogen, maar nam je waar met je hele wezen… het momentje in kloktijd mag een paar seconden of minuten geduurd hebben; het maakt niet uit, het was een momentje van tijdloosheid, van eeuwigheid… alleen het denken schept de tijd en de denker, maar nu in deze bijzonder soort stilte was noch tijd, noch denken… het beperkte kan het onbeperkte nooit binnengaan, het kan het niet eens begrijpen…
Ontsprongen vanuit de stilte, de heldere waarneming van ‘het andere’ meldde zich een gedachte: waarom ben je bij dit prachtige weer niet naar buiten gegaan? … je opende je ogen… het sneeuwde nog steeds, zelfs een grijze mist was opgetrokken, maar dat deed er niets toe… de absoluut onverdeelde energie van het momentje bleef bij je; het licht dat van binnenuit kwam… niet uit het binnen van je lichaam of brein, maar uit het binnen van het geheel dat begin noch einde heeft, en dus ook geen centrum, en waarvan je deel uitmaakt… het leven.
Het leven dat altijd het eeuwige, voortdurende ‘Nu’ is; tot bloei komt en sterft om meteen vol onschuld opnieuw tot bloei te komen…
Alleen het denken haalt de tijd — in de vorm van verleden, heden en toekomst — erbij door ze zelf te creëren.
~~
Zien… zijn we ons van de grootsheid van dit kleine woordje werkelijk bewust? … Het is veel meer dan alleen maar gewoon kijken met je ogen, het betekent ‘waarnemen met je hele wezen’… zien, horen, voelen, ruiken, proeven… je totale energie… je volledige, onverdeelde, volledige aandacht aan het geheel van het ‘Nu’ – het leven – schenken… dat is waarnemen zonder waarnemer, omdat de waarnemer één is met het geheel… het is het einde van alle scheiding, verdeeldheid en conflict.
… dit alles ligt ingesloten in dit kleine, grote woordje ‘zien’... tenminste in de context van onze hier gevoerde gesprekken, verkenningen…
Zien is volledige aandacht en de ware sleutel voor een echte staat van zijn in het ‘Nu’… de waarheid die het leven zelf is…
Men vertelt je dat je, om vrij te zijn, moet ‘sterven aan je verleden’ en daar ben je bang voor; je wilt je herinneringen, kennis en ervaringen niet kwijt… maar dat is ook niet wat er gebeurt of wat nodig is om vrij te zijn… als je het verleden ziet voor wat het daadwerkelijk is – alleen nog opgeslagen informatie in je brein – verliest het meteen zijn emotionele greep op je… je kunt ernaar kijken of het gebruiken als je dat wilt of als het nuttig of nodig is, maar je bent er niet langer aan gehecht of van afhankelijk… en – heel belangrijk – je bent vrij van de onbewuste patronen die een handelen in het hier en nu onmogelijk maken, simpelweg omdat je, zolang je gevangen bent in de patronen van het verleden, niet echt handelt maar voortdurend het verleden herhaalt in een net iets aangepaste vorm…
Elk momentje van volledige aandacht is een momentje waar je uit je verstand stapt en één bent met de hele geest…
al-één-zijn... 06
V: Je verheldering over 'zien' eindigde met het inzicht dat elk moment van volledige aandacht een stap uit het verstand is, waarbij je één bent met de hele geest. … Ik vroeg me af: waarom zeg je 'de hele geest' en niet gewoon 'de geest'? … De geest is toch al het geheel?
N: Dat wordt waarschijnlijk meteen duidelijk als je kijkt naar de oorsprong van het woord 'heel'. Het betekent letterlijk onbeschadigd, gezond of ongeschonden.
V: Ah, ja, op die manier wordt het direct helder.
N: We moeten werkelijk goed oppassen dat we niet verliefd worden op de woorden, de beschrijvingen… 'Zien is weten'. Het is het ontwaken van intelligentie, en intelligentie betekent letterlijk 'tussen de dingen – laat staan woorden - door kunnen lezen of zien'…
V: Dat begrijp ik. Ik zoek alleen naar de grootst mogelijke helderheid. Volgens mij is het waardevol om nog even bij dat woord 'heel' stil te staan. Als je die lijn doortrekt, kom je bij 'helen'. Bij mij roept dat de vraag op: is het helder zien van wat is dan niet ook een daad van heling? En kunnen we van daaruit misschien iets meer afleiden, zeggen over dat cruciale moment waarop het verstand – het denken – zijn eigen beperkingen inziet?
N: De eerste stap… ja, ik begrijp wat je bedoelt… Onverdeelde aandacht is de sleutel; geen concentratie op iets specifieks, want dat kost inspanning… Kijk niet alleen naar wat je denkt, maar naar hoe het denken werkt. Dan zie je dat de denker niet losstaat van het denken, de waarnemer niet van de waarneming. Ze beïnvloeden elkaar continu en zijn dus één geheel. … En 'geheel' betekent: een totale eenheid of gewoon één…
V: Is dat echt alles wat we erover kunnen zeggen?
N: Woorden blijven slechts woorden… Je kunt het andere in duizenden variaties beschrijven, maar uiteindelijk moet iedereen die eerste stap zelf zetten… je zou weten als je ziet … en dan besef je misschien ook dat de eerste stap tegelijkertijd de laatste is…
Het woordje 'heel'… wat schuilt er niet veel in… in zijn oorsprong betekent heel: onbeschadigd en gezond… daaruit zijn de woorden helen en heling afgeleid, en ook geheel, wat totale eenheid betekent, of simpelweg: één… maar het gaat nog zo veel verder… tot aan het grote en zo vaak geschonden woord: heilig…
Als je dat alles werkelijk overpeinst, dan zie je, weet je wat werkelijk heilig is: dat wat heel is, wat gezond is… wat in zijn geheel ongeschonden en in zijn oorspronkelijke staat verkeert. … Zien is weten; en als je nu echt ziet, dan weet je wat het enige heilige is… dat wat begin noch einde heeft, het 'Nu' – het enige tijdloze en dus eeuwig voortdurende momentje… het 'Leven'…
Het woord leven verwijst in zijn oorsprong naar ‘voortbestaan’… omdat het het eeuwige ‘Nu’ is… niet de denkbeelden, illusies van ‘mijn leven’ en ‘jouw leven’… maar het ene Leven dat er is… wat hebben ze er niet allemaal van gemaakt – verbeeld –; ‘ze’, de verhaaltjesvertellers in hun mooie gewaden van geloof, gezag en macht… op de meest uiteenlopende manieren hebben ze het besmet met afschuwelijke illusies die stuk voor stuk op angst gebouwd zijn, en die steeds weer een ‘wij tegen zij’ creëren… verwijt het hun niet, zie het feit en zie dat de volgeling minstens zo afschuwelijk is… zonder soldaat geen grote veldheer, zonder gelovige geen god-beeld, zonder dienaar, knecht of lakei geen heer…
Als we in de oorsprong van de woorden heel ver teruggaan, zien we dat de mens meer en meer verwijderd is geraakt van een natuurlijke staat van zijn – van zien wat is en weten. Hij heeft zijn natuurlijke, onbeperkte intelligentie en intuïtie verloochend en is gaan huizen in de beperkte maten van het intellect, omdat dit de schijn van zekerheid laat oplichten…
Wat hebben de vele oplichters – in welke vermomming dan ook – voor de schijn van het heilig zijn niet allemaal in de naam van religie gedaan… maar als we naar de diepe oorsprong van het woord religie kijken, krijgt een waarlijk religieus leven een heel andere betekenis: heelmaking, waarnemen… met volledige aandacht zien wat is…
God – of beter gezegd: de goden – zijn creaties van de mens (denkbeelden). Niet God heeft de mens geschapen, maar de mens, die zich meer en meer van het geheel (het Leven) heeft verwijderd, heeft de vele goden geschapen. Ze zijn een realiteit in de meetbare ruimte van denken en tijd, maar geen waarheid in de onmetelijkheid van het eeuwig voortdurende ‘Nu’, het Leven…
Een religieus leven leiden toont zich niet door te knielen voor een van de in steen gehouwen afgoden of uit hout gesneden symbolen, maar door de waardering van het Leven in zijn geheel; door te verkeren in een staat van zijn, vol aandacht voor het ‘Nu’ en met het diepe besef dat jij niet losstaat van het leven. Dat je geen leven leidt, maar één bent met het Leven…
V: Ik had een beetje gehoopt dat we toch zouden uitkomen bij ‘God is liefde’, maar ja… ik heb het woord God opgezocht in het woordenboek: ‘de aangeroepene’ of ‘het hemelse’… ja, iets wat buiten het leven staat dus. En het woord liefde verwijst enkel naar verlangen… en is dus gevangen in de tijd, in een staat van worden in plaats van zijn… dat had ik niet verwacht…
N: Ik vraag me af waarom je zo in de woorden blijft hangen? … Zien is vrij zijn van denken en tijd; woorden zijn denken… Wat werkelijk interessant is aan het onderzoeken van de oorsprong van woorden, is dat we zien hoe de mens al heel lang de verkeerde kant opgaat en zich steeds meer heeft geïsoleerd van een natuurlijke staat van zijn.
Het woord god verwijst waarschijnlijk inderdaad al heel, heel lang naar aanbidding, en bevestigt zo dat de mens de goden zelf geschapen heeft. Maar als je echt diep afdaalt in de wortels van dat woord, ontdek je ook een oeroude oorsprong die naar ‘zijn’ verwijst… het goddelijke is dan geen buitenstaand wezen, geen schepper, maar het geheel zelf… maar waar het werkelijk op aankomt is te zien, echt te beseffen: het geheel is het enige wat er is…
…
En wat het woord liefde betreft, daar heb je niet goed gekeken… de oudste oorsprong verwijst naar: ‘zorg dragen voor’, ‘diepe genegenheid’ en ‘toewijding’. … En als je echt voelt, beseft, ziet dat je één bent met het geheel, dat er helemaal geen scheiding is, dan betekent liefde… liefde hebben voor het geheel: zorg dragen voor het leven… diepe genegenheid en toewijding voor het leven…
…
Maar alsjeblieft: blijf niet hangen in de woorden… voel, besef, zie…
al-één-zijn... 07
De auto stond als enige op het grote parkeerterrein, en je liep evenzo alleen naar het strand… al uit de verte werd je verwelkomd door het gebulder van de golven… het geluid was enorm intens, het klonk bijna dreigend… je kon de kracht van het water bijna fysiek voelen… zoals de kracht van een wild dier dat prachtig is, maar evenzeer gevaarlijk… maar als je het de ruimte laat, is het van een grote schoonheid om het met volledige aandacht gade te slaan…
De golven moeten ’s nachts tot aan de rand van de duinen zijn gekomen; en zelfs nu kwamen ze nog heel ver het strand op… je was hier nooit eerder geweest, maar had de indruk dat het een smal strand moest zijn… Dicht bij het water was het oorverdovend en toch was je wandeling vervuld van grote stilte… de geest was heel stil – noch in strijd met de wereld, noch in strijd met zijn eigen gedachten – en observeerde gewoon alle schoonheid die er was… zien, zonder meer…
Het wolkendek brak meer en meer open; in de bovenlagen kon je de heldere, grenzeloos blauwe hemel al zien, maar lager boven het water en de kust dreven nog altijd dikke, witte wolken… de zee had een mooie, wat sobere groene glans, waarschijnlijk door het vele drijvende zeegras, en de golven lieten op het strand schuim achter dat zo wit was dat het op vers gevallen sneeuw leek…
Je zag enorme heuvels bestaande uit vele verschillende soorten schelpen en je vroeg je af hoe die daar zo terecht waren gekomen… je wilde ze op de weg terug nauwkeuriger bekijken, maar dat bleek geen goed plan… ze waren zonder een spoor achter te laten verdwenen… je kunt het leven niet plannen, alleen maar op elk moment in volledige aandacht beleven… Het ‘wat is’ – het ‘Nu’ – wacht niet op jou en de illusies die het denken creëert…
Zo zag je later ook dat het strand in feite heel breed was en dat het water in de ochtend simpelweg de ruimte nam om te zijn… aan zee is er geen vaste grens tussen water en land… ze geven elkaar de ruimte die ze nodig hebben en bewegen met elkaar mee… hoe anders is de mens die verloren is in zijn verstand; hij verdedigt zijn zelfverzonnen grenzen, geeft aan alles en iedereen een naam en een label… en smeedt daarmee de ketting van verdeeldheid, conflict, haat en oorlog… alleen als hij de werking en de daaruit resulterende beperkingen van het verstand – het denken – doorziet, is er kans op bevrijding, op echte vrijheid en het ontwaken van de intelligentie die het intellect ver te boven gaat…
Een enkele meeuw stond heel stilletjes in het vlakke water en keek naar de golven… je liep intuïtief – om haar niet te storen – in een kleine boog om haar heen, voordat je haar van een afstandje gadesloeg… ze bewoog niet en het scheen alsof ze in meditatie was… en ineens was jij het ook… jij was de meeuw en de meeuw was jij; niet fysiek natuurlijk, maar één in het geheel… in dezelfde stroom van zuivere energie… het Leven…
In meditatie zijn… wat wil dat uiteindelijk zeggen? Je kunt het alleen maar zijn; elke inspanning of elk streven om het te 'doen' is een ontkenning van meditatie… meditatie is… vol aandacht zien, keuzeloos waarnemen wat is… het geheel – de totale beweging van het leven – en het beseffen van de ware betekenis van alleenzijn: al-één-zijn…
Het leven is niet van grotere of kleinere waarde, of het nu door jou, de meeuw of het zeegras stroomt… van veel grotere betekenis is het inzicht te beseffen, te zien, dat het moet stromen en niet mag worden geblokkeerd door de beelden van denken en tijd, of door het ontkennen van het enige heilige, eeuwig voortdurende momentje: het momentje ‘Nu’… het Leven…
De zee wordt meer en meer rustig, de geluiden van de wind verzachten en maakten plaats voor meeuwengeschreeuw en de stemmen van een paar wandelaars… de zon was nu echt warm en haar prachtige stralen zorgden voor een heerlijke sfeer van licht en kleur… bijzonder mooi was het de schelpen te zien net nadat het water over ze heen gespoeld was… kleur zonder licht bestaat niet… de dode schelpen zijn afhankelijk van de gunst van water en zon om in volle pracht te schijnen… een levendig wezen als de mens kan een licht voor zichzelf zijn, hij moet alleen alle afhankelijkheden zien, afwijzen en daarbij goed opletten geen nieuwe denkbeelden, autoriteiten of illusies te creëren… vrij zijn is geen doel, maar de eerste en laatste stap voor een leven dat de naam leven werkelijk waard is…
Meer en meer meeuwen kwamen aanvliegen; ze zochten naar eten, genoten van de zon of draaiden rondjes boven de hoofden van de weinige wandelaars… je was heel ver gelopen, het was het punt om terug te keren… het strand was nu heel breed, het zand warm en de zee had een mooie blauwe kleur gekregen… een jong stelletje verzamelde schelpen en hij schepte met zijn handen water uit de zee en riep lachend naar haar: ‘Ik houd de zee in mijn handen!’…
Jij dacht: ‘Als je het water in je handen houdt, is het die zee niet meer; je kunt de zee niet vasthouden, je kunt er wel één mee zijn als je erin duikt, net zoals je één kunt zijn met het ‘Nu’ – het Leven… als je het wilt vasthouden in je gedachten – meten in termen van verleden, heden of toekomst – maak je het tot een dood ding; dan verliest het zijn schoonheid en heiligheid, en is het alleen nog van heel weinig waarde… waarom wil de mens altijd iets vasthouden… het eeuwige, tijdloze opgeven in ruil voor niets dan illusies?’…
~~
Een licht voor jezelf zijn… wat klinkt dat toch mooi… maar wacht, betekent dat dan niet vanzelfsprekend ook: verantwoordelijk zijn? … En in het diepe besef van al-één-zijn – het inzicht dat jij en de wereld, het Leven, onlosmakelijk één zijn – zie je net zo helder dat al jouw doen en laten, net als dat van ieder ander, inwerkt op het geheel… als je werkelijk serieus bent, is dat opeens een heel grote verantwoordelijkheid… wat letterlijk betekent: ‘op een uitdaging een antwoord geven’…
En ik vraag me af: zolang je afhankelijk bent van het verleden, in de vorm van traditie, gezag, geloof of ervaring… wie geeft dan het antwoord? Jij, of het verleden? De autoriteit die je volgt? Ben je je ervan bewust dat zolang je op iets of iemand teruggrijpt, je onverantwoordelijk handelt? Of beter gezegd: dat je uiteindelijk helemaal niet handelt, maar gewoon herhaalt… het verleden, of de woorden van een autoriteit?
Schep nu geen nieuwe afhankelijkheid door te streven vrij te worden van het verleden; zie in dat het verlangen, de begeerte om vrij te zijn van het verleden, nog steeds begeerte is. Besef je dat voor of tegen iets zijn, iets willen worden of juist helemaal niets willen zijn, één en hetzelfde is: verzet, weerstand tegen wat is… een blijven hangen in denken en tijd… zie toch gewoon wat is, zonder ervoor te vluchten, zonder elke wens, verlangen, begeerte om het te veranderen… en zie wat er dan gebeurt…
Als je werkelijk een verantwoordelijkheidsgevoel hebt – niet voor iets bepaalds, los van ‘verantwoordelijk voor…’ – maar voor het Leven in zijn geheel, dan verandert je doen en laten volledig. Als iemand je niet begrijpt, voel je desondanks zorg voor hem en heb je aandacht voor hem – meelevend, niet medelijdend. Je veroordeelt niet, maar geeft acht op wat hij doet; je doorgrondt zijn doen en laten – niet vanuit een oordelende blik of het juist of verkeerd is, maar je ziet alles gebeuren in het geheel. En zo leg je ook bloot welke oorzaken zijn doen en laten heeft, wat het voor hemzelf betekent en wat de gevolgen voor hemzelf zijn… dit is geen analyse, maar zien en weten…
~~
Laat in de avond is de hemel bedekt met een dikke laag traag drijvende, grijze wolken. Je moet je er altijd helder van bewust zijn wat je werkelijk ziet; zeg niet dat je de hemel ziet als die aan het zicht onttrokken is en je in feite alleen de wolken waarneemt. Wat de feiten betreft: de wolken moeten eerst verdwijnen voordat de hemel weer zichtbaar wordt. Hetzelfde geldt voor je blik op de werkelijkheid: wees je ervan bewust of je naar je eigen denkbeelden kijkt of naar de waarheid zoals die is.