met open ogen... 24
Deze prachtige winterdag liep ten einde op een adembenemende manier; de hele westelijke hemel straalde in één zee van kleur… niet in één specifieke kleur, maar in een intense vertoning van licht en kleur. Iedereen die ook maar een greintje gevoeligheid voor de schoonheid van de aarde bezat, werd onmiddellijk gegrepen door dit bijzondere, unieke moment… je maakte er nu deel van uit, of nooit. Het zal nooit meer zo zijn, het zal zich nooit herhalen. Sterker nog, je zult het niet eens echt kunnen beschrijven... de beschrijving is nooit wat beschreven wordt... herinneringen en woorden zijn niet de waarheid. Elk moment dat met volle aandacht wordt beleefd, wordt geboren, komt tot bloei en eindigt zonder een spoor achter te laten. Zo ontsnapt het aan denken en tijd... het is tijdloos, en wat tijdloos is, is eeuwig. Het eeuwige kan noch gevangen, noch gemeten, noch opgeslagen worden… het is…
Het tot bloei komen waar we het hier over hebben, mag niet verward worden met de ‘groei’ waarover tegenwoordig zo vaak met bewondering en grote woorden wordt gesproken. Bloeien en groeien zijn niet hetzelfde; ze hebben absoluut niets met elkaar gemeen, althans niet zoals mensen het woord ‘groei’ tegenwoordig gebruiken. Het verlangen, het streven om iets te worden, is een ontkenning van de essentie van het leven. De essentie van het leven is een onophoudelijke, eeuwige staat van zijn: het volledig beleven van elk moment in volle aanwezigheid en toewijding. Dat betekent dat elk moment ten volle tot bloei komt en sterft, niets achterlatend dan de geur van liefde… Er is geen eindbestemming, geen punt om te bereiken, zelfs geen hoogtepunt op de reis... uiteindelijk is er niet eens een reis, maar slechts een eeuwigdurende staat van zijn… Het idee, de gedachte dat je iets moet of wilt worden, is een illusie, net als de bron waaruit deze gedachte voortkomt: de denker die het denken is.
De aanblik van de wolken, die in het licht van de middagzon op majestueuze bergen leken, liet het denken onmiddellijk en onmerkbaar stilvallen. Terwijl je door dit vlakke landschap reed, ervoer je op een bijzondere manier de uitgestrektheid van een magnifieke bergketen. Deze staat van intense waarneming duurde ononderbroken voort, totdat je merkte dat je een afslag had genomen die meteen duidelijk maakte waar deze middag voor bedoeld was: een wandeling langs het riviertje met zijn vele bochten en zandige oevers, dat door een klein bos met bijzondere naaldbomen stroomde. Je kon niet anders dan glimlachen; pas nu besefte je dat de vele gedachten over de eindbestemming ongemerkt waren verdwenen. Iets voorbij het denken, iets los van gedachten en tijd, had het overgenomen… Zien en handelen waren één geworden in dat moment van volkomen aandacht voor de schoonheid van de wolken… Het intellect – het denken – vroeg zich af: Is dit ‘intelligentie’? Intelligentie die bestaat wanneer het intellect zwijgt omdat het beseft dat het de onmetelijke ruimte van de stilte – de stilte van pure waarneming en aandacht – niet kan omvatten? Het intellect kan zich dit alleen maar afvragen; het is niet in staat het volledig te bevatten. Een deel van het geheel kan het geheel niet omvatten. Dit is een feit. Wat het deel wel kan, is zijn eigen beperkingen herkennen en begrijpen, en op die manier stil worden, zodat het andere… de intelligentie… in werking kan treden.
Het laatste stukje weg was smal en bochtig, en je had het gevoel alsof de auto, net als de bestuurder, puur rijplezier beleefde... ‘Freude am Fahren’ was hier geen marketingslogan, maar een nauwkeurige beschrijving van de werkelijkheid…
Vanaf de eerste stappen op het zandpad voelde je je verwelkomd door de hoge, majestueuze bomen. Hun inherente waardigheid strekte zich ver uit en omvatte alles. Rechts van je scheen de zon hoog boven de rivier; haar warme stralen bereikten je gefilterd door de boomkruinen aan de overkant en de hoge struiken langs het pad. Dit voorjaar hadden de beheerders van het gebied met grote zorg en respect voor de natuur kleine zijpaden aangelegd, waardoor bezoekers dicht bij het water konden komen. Je maakte graag gebruik van deze gelegenheid. Zittend op een dode boomstam die als bankje diende, keek en luisterde je naar het zachte gekabbel van het riviertje. Het was een heerlijk gevoel om de weerspiegeling van het gouden zonlicht op het wateroppervlak te zien.
De weerspiegeling van de zon in het water was niet de zon zelf. Maar de zon zelf was ook niet het geheel. Beiden maakten deel uit van het geheel, net als het zachte kabbelen van de rivier, de zachte bries, het vrolijke getjilp van de vogels, het geblaf van een hondje in de verte en de voorbijgangers en hun gesprekken… het geheel omvatte alles wat is… inclusief ‘jij’, terwijl je dit alles aandachtig observeerde. Of beter gezegd: ‘jij’ is geen gepaste term, want wat we gewoonlijk ‘ik’ of ‘zelf’ noemen, was helemaal niet aanwezig… de waarnemer was er niet; hij was één met de waarneming.
De mens vereenzelvigt zich zo snel en gemakkelijk met iets – of het nu een naam, een bezit of een vlag is… maar het ene werkelijk ware geheel, dat alles omvat en eeuwig is – het leven – ziet hij gewoon niet. En zelfs als hij zich er op de een of andere manier van bewust wordt, negeert of verwerpt hij het onmiddellijk. Je vraagt je af waarom... maar uiteindelijk is het simpel: wanneer een mens zichzelf als één met het geheel begrijpt, verliezen al zijn zorgvuldig opgebouwde vereenzelzigingen alle waarde, alle betekenis en alle waarheid... Wat werkelijk als onwaar wordt erkend, kan niet bestaan in het licht van de waarheid. Elke illusie van ‘mijn leven’, ‘mijn land’ of ‘mijn status’ verdwijnt in het licht van onverdeelde, volledige aandacht voor het enige moment dat ooit bestaat: het ‘Nu’, het enige moment vol leven… omdat dit licht er gewoon is, puur en niet voortkomend uit of besmet door het verleden, het verleden dat denken en tijd is… …dit
alles is geen abstractie of filosofische benadering… je kunt en moet het zelf ervaren, er zelf mee experimenteren… waarneming zonder waarnemer (zonder te denken in categorieën zoals ‘mijn’ of ‘niet-mijn’… wat altijd scheiding en verdeeldheid impliceert). Elke benoeming van iets, zelfs iets zo persoonlijks als ‘mijn lichaam’, is waarneming via de waarnemer, de denker… maar het is iets totaal anders wanneer het lichaam zichzelf bewust waarneemt zonder deze benoeming…
Je vervolgde je weg, aandachtig observerend; dat wil zeggen, je nam alles om je heen en in jezelf waar met al je zintuigen, met je hele wezen. Tijdens de lange tocht kwam je zoveel natuurlijke levendigheid, pracht en schoonheid tegen – maar helaas ook mensen die volledig gevangen zaten in hun eigen kleine wereldjes, afgesneden van het geheel, van het leven… waarschijnlijk zonder zichzelf daarvan bewust te zijn… zoals de vrouw die hardop tegen haar man zei: ‘Ik ben blij dat we hier zijn gekomen, nu kan ik mijn hoofd een beetje leegmaken… als we terug zijn, moeten we…’ Hoe kan de geest vrij zijn als hij niet eens is waar het lichaam is? Zijn is geen toestand die bereikt kan worden, zijn kan niet gecreëerd worden door het denken… om simpelweg te zijn, moet al het streven en verlangen om iets te worden eindigen… eindigen door inzicht, niet door wilsinspanning.