ontmoetingen... 18

 

 

De lucht was loodgrijs en er woei een stevige bries. De heideplanten die vorig jaar rond de boom op het gazon waren geplant, stonden nog volop in bloei. Zelfs in het sobere, diffuse licht van deze grauwe dag waren de paarse en groene tinten van een ingetogen schoonheid. Je nam plaats op een van de witte houten banken bij de vijver, tot de eerste zachte regendruppels vielen. Je vervolgde je weg door het bos; het was mooi om te luisteren naar het ruisen van de regen op de bladeren, een geluid dat gestaag aanzwol. Hoewel de hemel inmiddels diepdonkergrijs kleurde en de neerslag heviger beloofde te worden, bleef je onder het bladerdak volkomen droog. Je koos de kortste weg naar huis: het smalle pad dat dwars door het bos slingert. Daar kon je prima genieten van de geur van frisse regen en het getik op het bijna gesloten gewelf van bladeren boven je. Ondanks de zware regenval van de voorbije dagen was het pad nog goed begaanbaar, zonder plassen. Wel was het opvallend hoeveel takken het pad versperden; de storm van de afgelopen nacht moest behoorlijk krachtig zijn geweest.

 

Het voelde als een klein wonder: je hoorde de regen steeds heviger neerkletteren, maar precies op het moment dat je het bospad verliet en de brede hoofdweg opstapte, hield de regen op. Je kwam volledig droog thuis. Slechts enkele ogenblikken later hoorde en zag je de dikke druppels tegen het glas van de veranda tikken. ‘Mooi op maat’, dacht je bij jezelf.

 

 

Je dacht terug aan een ontmoeting van enkele dagen geleden. In een kleine tuin wisselde je een paar woorden met een man die daar ook wandelde. Toen je opmerkte hoe prachtig de witte bloemen waren – ‘Wat zijn ze toch van nature mooi, nietwaar?’ – antwoordde de man: ‘Het is fijn als iemand nog kan genieten van de kleine dingen in een wereld die zo lelijk is geworden.’

 

Staan de woorden ‘mooi’ en ‘lelijk’ werkelijk in een onlosmakelijk samenhang? Als dat zo zou zijn, schuilt er dan niet onvermijdelijk een schaduw van het lelijke in alles wat werkelijk mooi is? Of is de vermeende samenhang tussen de twee woorden louter een product van ons denken, dat geconditioneerd is om voortdurend te vergelijken? Is dat wat werkelijk mooi is niet gewoon... mooi? Mooi in zijn ondeelbare heelheid, zonder tegenstrijdigheid, puur en onvervalst.

Hoe hanteer jij het woord ‘mooi’? Gebruik je het als een instrument voor vergelijking, of als een uiting van spontane, onvoorwaardelijke vreugde? Kunnen wij wat werkelijk mooi is niet pas werkelijk zien als we waarnemen zonder te vergelijken, zonder in gedachten te verzinken?

En wat zijn uiteindelijk ‘kleine’ dingen en ‘grote’ dingen? Laat de bloem simpelweg de bloem zijn, niets meer en niets minder… 

Werkelijk gewaar zijn – zien wat is, open en zonder oordeel of vergelijking – betekent dat je niets met je meedraagt in het enige werkelijke momentje van leven: het ‘Nu’.