vonkjes... 01
Hij zat op een bankje in de fraai onderhouden tuin van een prachtige kerk. Wat de gelovigen met het woord 'kerk' associeerden, was hem altijd vreemd gebleven. Hij voelde nooit verbondenheid met de verhalen van welke georganiseerde religie of wereldvisie dan ook; wel voelde hij mededogen voor de gelovige mensen en hun eeuwige strijd tussen wie ze werkelijk zijn en hun streven om een goede volgeling te zijn of te worden.
De gong van de kerktoren sloeg één keer en verbrak voor even opdringerig de stilte. Deze is het werk van mensen, net als de kerk zelf en alles wat zich in de kerk bevindt of binnen de kerk wordt verkondigd. Zelfs de goden uit de zogenaamde heilige boeken zijn het werk van mensen, en alles wat door mensen is geschapen, vindt zijn oorsprong in het denken. De resultaten kunnen heel mooi zijn en wonderlijk in elkaar zitten, zoals bijvoorbeeld deze kerk... maar van ware schoonheid zijn ze nooit, want ze blijven altijd een fragmentatie. Dat kan ook niet anders, want hun oorsprong – het denken – is zelfs inherent fragmentarisch.
Hij sloeg de boom gade die vlak bij het bankje stond en voelde genegenheid; de boom was hem niet vreemd. De boom is misschien wel door mensen geplant, maar hij is niet door mensen gemaakt. Hij is... gewoon. Hij bewoog levendig met de sterke wind mee, en deze gevoeligheid is zijn schoonheid.
Hij zat daar in zijn eentje, niet eenzaam en ook niet alleen. Hij voelde zich bijna nooit eenzaam, en toch was dat gevoel van eenzaamheid hem bekend – van vroeger... lang geleden en volkomen betekenisloos, omdat het geen sporen had nagelaten. Hij was erg eenzaam in zijn jeugd, in het gezelschap van zijn klasgenoten, en later op momenten dat zijn werk vereiste dat hij tijd doorbracht met mensen die veel praatten, maar niets te vertellen hadden. Zijn eenzaamste momenten bracht hij door te midden van grote groepen mensen die voor hun plezier bijeen waren; of waren ze misschien gewoon op de vlucht voor hun eigen eenzaamheid?
Als hij in zijn eentje is, is hij nooit eenzaam, en soms is hij dan zelfs alleen. Alleen – zonder ook maar één gedachte, simpelweg aandachtig kijkend en luisterend, vanuit het hele wezen waarnemend ‘wat is’... het levende al-één-zijn dat schoonheid is.